Overgangsregeling voor afschaffing aftrek rente binnen fiscale eenheid vpb.

Met terugwerkende kracht tot 25 oktober 2017, 11.00 uur, wordt de fiscale-eenheidsregeling in de vennootschapsbelasting gewijzigd. Hoe de wijzigingen er precies uit gaan zien is nog niet geheel duidelijk maar er zal in ieder geval sprake zijn van rente-aftrekbeperkingen. Voor het mkb mogelijk met relatief grote gevolgen.

De Staatssecretaris van Financiën komt daarom met de overgangsregeling dat op bepaalde groepsleningen tot het eind van dit jaar onder voorwaarden de renteaftrekbeperking niet van toepassing zal zijn. Wat speelt er?

Fiscale eenheid voldoet niet aan EU-regels
Het hoogste hof, het Europese Hof van Justitie heeft in februari van dit jaar beslist dat ons regime van de fiscale eenheid niet voldoet aan de EU-regels. In oktober zag Den Haag dat al aankomen en is op 25 oktober 2017 11.00 uur een spoedreparatie aangekondigd, inhoudende dat we moeten doen alsof er geen sprake is van een fiscale eenheid is voor de als de dividendbelasting. Met name voor wat betreft de aftrekbaarheid van bepaalde rentebetalingen voor groepsleningen kan dit gevolgen hebben!.

Overgangsmaatregel?
Aangekondigd is dat er een overgangsmaatregel gaat gelden. Deze ziet op de renteaftrekbeperking die in de vennootschapsbelasting geldt voor bepaalde groepsleningen. De zogenaamde 10a- leningen of te wel de leningen die verband houden met onder andere een winstuitdeling of een teruggaaf van kapitaal. Blijft de totale rente op dergelijke leningen onder € 100.000 dan blijkt correctie tot en met 31 december 2018 achterwege.

Voorwaardelijke overgangsregeling
Deze overgangsregeling is wel voorwaardelijk:

  • op 25 oktober 2017, 11.00 uur moet de betreffende lening al bestaan
  • bedraagt de de totale rentekosten meer bedragen dan € 100.000, geldt de aftrekbeperking voor alle rente, dus ook voor de eerste € 100.000.

Op deze manier wordt, zoals de Staatssecretaris aangeeft met name aan het mkb tijd gegeven om tot reparatie van de leningen over te gaan.

Wordt mogelijk vervolgd. Zoals nu bekend is geworden zou de uitspraak van het Hof mogelijk gebaseerd zijn op onjuiste feiten en zou de uitspraak zelf ook niet deugdelijk zijn…

Aanslag inkomstenbelasting 2017

Mogelijk heeft u uw definitieve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2017 al ontvangen en wordt er bij u belasting geheven over vermogen dat u in box 3 heeft aangegeven.
Dan is onderstaand bericht voor u van belang.

Bezwaar oudere jaren
Voor de aanslagen over het jaar 2013 tot en met 2016 lopen er zogenaamde massaal bezwaarprocedures. Bovendien was individueel bezwaar niet nodig.

Bezwaar 2017
Voor jaar 2017 geldt er ( nog geen) zogenaamd automatisch collectief massaal bezwaar procedure tegen de box 3-heffing. Dit is onlangs bekend gemaakt.
De wetgever heeft zich echter gerealiseerd dat de belastingdienst inmiddels al definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 heeft opgelegd en tijdig bezwaar indienen mogelijk niet meer mogelijk is. Daarom is bekend gemaakt dat bezwaarschriften  die worden  ingediend vóór  15 juli 2018 en die zijn gericht tegen de berekening van de box 3-heffing over het jaar 2017 behandeld worden alsof een tijdig ingediend is bezwaarschrift.

Wellicht toch nog collectief bezwaar
Zou er toch een collectief massaal bezwaar procedure komen dat dient er vanaf het jaar 2017 toch individueel bezwaar te worden aangetekend.
Is de definitieve aanslag nog niet opgelegd dan dient u binnen 6 weken na de datum genoemd op de definitieve aanslag (de dagtekening) het bezwaar ingediend hebben.

Bron: Actuele Artikelen

Kinderalimentatie in samengestelde gezinnen

Gezinssituaties worden steeds ingewikkelder. Veel relaties/huwelijken stranden en er worden vervolgens weer nieuwe relaties/huwelijken aangegaan. Vaak zijn ook kinderen aanwezig in deze gezinnen.

We spreken over een samengesteld gezin, indien minimaal één van de ouders een kind heeft uit een vorige relatie. De situatie kan uiteraard zeer complex worden indien beide ouders één of meerdere kinderen uit een vorige relatie hebben, ze samen één of meerdere gezamenlijke kinderen krijgen en hun ex-partner(s) ook weer kinderen krijgen in hun nieuwe relatie, dan wel de nieuwe partner van die ex al eigen kinderen heeft.

Consequenties kinderalimentatie
Los van alle emotionele perikelen die dit met zich kan brengen, ontstaat ook een ingewikkelde situatie om de kinderalimentatie juist te berekenen.
Voor het berekenen van de juiste kinderalimentatie zal eerst de behoefte van het kind bepaald moeten worden. De behoefte wordt bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen van de eigen ouders van het kind, kort voor het uiteengaan van die ouders. Vervolgens zal voor het invullen van die behoefte gekeken moeten worden wie onderhoudsplichtig is voor het kind. Onderhoudsplichtig zijn sowieso de eigen ouders van het kind, daarnaast kan ook de stiefouder onderhoudsplichtig zijn indien het kind tot het gezin behoort en de stiefouder is getrouwd met de echte ouder. Zo kan het gebeuren dat iemand voor kinderen uit twee gezinnen onderhoudsplichtig is, waar drie situaties aan de orde zijn voor het berekenen van de behoefte en de draagkracht. Stel een man is gescheiden, hij heeft bij zijn ex-vrouw twee kinderen. Hij trouwt opnieuw met een vrouw die al twee kinderen heeft uit een eerdere relatie en die bij hen wonen en samen krijgen ze nog een kind. Deze man is dus onderhoudsplichtig voor alle vijf de kinderen. Voor het bepalen van de behoefte van deze kinderen is het inkomen van de eigen ouders van alle kinderen bepalend, er wordt dus drie keer een behoefte bepaald. Voor het bepalen van de hoogte van de door zijn nieuwe vrouw te ontvangen kinderalimentatie voor haar twee kinderen uit haar vorige relatie, dienen we te beschikken over de inkomensgegevens van zowel de beide ouders van die kinderen, als het inkomen van de man uit deze casus. Vaak is het lastig om alle financiële gegevens boven water te krijgen, want niet iedereen zit er op te wachten zijn inkomensgegevens kenbaar te maken aan de ex van zijn partner. Het niet overleggen van financiële gegevens kan echter vergaande consequenties hebben. De rechter kan besluiten het inkomen te schatten.

Omdat de behoefte van een kind wordt bepaald aan de hand van het inkomen van zijn eigen ouders, kan het voorkomen dat kinderen in een zelfde gezin een verschillende behoefte hebben. Het kan dus ook voorkomen dat de draagkracht van een ouder niet gelijk over al zijn kinderen wordt verdeeld, maar naar rato van de behoefte van de kinderen, zodat voor het ene kind meer geld aangewend kan worden dan voor het andere. Dit geeft natuurlijk een vreemde situatie waarvan je mag hopen dat dit in de praktijk wel naar redelijkheid opgelost wordt zodat niet bij wijze van spreken het ene kind een magnum krijgt en het andere kind het moet doen met een raketje.

 

Bron: Actuele Artikelen

Bezwaar Box 3-heffing 2017 valt niet onder procedure massaal bezwaar 2013-2016

Wilt u bezwaar maken tegen de berekening van Box 3 op uw definitieve aanslag inkomstenbelasting 2017? Dan moet u dat binnen 6 weken doen na de datum op uw definitieve aanslag. Want voor de aanslagen 2017 geldt niet de procedure massaal bezwaar die geldt voor de aanslagen over 2013 tot en met 2016.

Hebt u een definitieve aanslag 2017 vóór 31 mei 2018 gehad maar nog geen bezwaar gemaakt?

Doe dit dan vóór 15 juli 2018. Uw bezwaar is dan op tijd bij ons binnen.

Op dit moment is nog niet bekend of er ook een procedure massaal bezwaar komt voor 2017

Maar ook als die procedure er wel komt, moet u nog steeds zelf bezwaar hebben gemaakt. Anders doet u niet mee met de massale bezwaarprocedure.

Bron: Belastingdienst

Belastingdienst aast ook op je bitcoins

De Belastingdienst beschouwt bitcoins – en alle andere 1.600 cryptovaluta – als onderdeel van iemands vermogen. Die moet je dus opgeven bij je aangifte. Daarin worden ze tegenwoordig ook expliciet genoemd onder het kopje ‘overige bezittingen’.

Maar belasting betalen, dat hoeft alleen als je vermogen boven de 25.000 euro uitkomt (bij stellen boven de 50.000 euro). Wie vergat zijn cryp- tovaluta op te geven, kan dit nog twee jaar met terugwerkende kracht doen zonder een boete te krijgen.

De Belastingdienst wil de koerswaarde van je crypto’s op 1 januari 2017 rond middernacht weten. Had jij toen het vuurwerk afging nog geen bitcoins of andere bezittingen (aandelen, obligaties, et cetera) boven de heffingsvrije drempel, dan hoef je er dus geen belasting over te betalen.

Maar stel, je beleggingen zijn 85.000 euro waard, inclusief 10.000 euro aan bitcoins. Dan moet je belasting betalen over de 60.000 euro (of 35.000 euro bij stellen) die overblijft na aftrek van het heffingsvrije bedrag. In Belastingdienst-jargon heet dit ‘de grondslag sparen en beleggen’.

Hoeveel belasting moet iemand betalen over die 60.000 euro? Vanaf dit jaar gelden nieuwe regels. Hoe hoger je vermogen, des te zwaarder de fiscus je aanslaat. Voor kleine (crypto)beleggers, met een grondslag onder de 75.000 euro, is dat gunstig. Dan gaat de Belastingdienst namelijk uit van een fictief rendement van 2,87 procent. Over 60.000 euro is dat 1.722 euro. Daarover moet je 30 procent belasting betalen: 516,60 euro.

Ter vergelijking: vorig jaar moest dezelfde belegger nog 726,76 euro afrekenen. Toen ging de fiscus namelijk nog uit van een fictief rendement van 4 procent voor iedere belegger, onafhankelijk van de omvang van zijn vermogen. Het belastingtarief bleef wel hetzelfde: 30 procent over je rendement. De heffingsvrije drempel werd dit jaar ietsje verhoogd, van 24.437 naar 25.000 euro (en bij stellen dus 50.000).

Net als bij de inkomstenbelasting zijn er nu drie belastingschijven voor vermogen, inclusief crypto’s. Voor de eerste schijf (tot 75.000 euro) gaat de fiscus zoals gezegd uit van een fictief rendement van 2,87 procent. Ligt die grondslag tussen de 75.000 en 975.000 euro, dan is dat 4,60 procent. En daarboven zelfs 5,39 procent.

Concreet betekent dit dat mensen met een grondslag onder de 216.100 euro gunstiger af zijn dan voorheen, zo blijkt uit de Belastinggids van de Consumentenbond. Dit omdat de eerste 75.000 euro in de eerste schijf wordt belast. Daar geldt een lager tarief dan vroeger (die 2,87 in plaats van 4 procent). Het kantelpunt ligt bij een grondslag van 216.100 euro.

Géén aangifte doen van je cryp- tovermogen lijkt misschien een aantrekkelijk idee. Sommige beleggers doen dat, verwijzend naar de beperkte capaciteit en opsporingsmogelijkheden voor cryptobeleggingen van de Belastingdienst en de FIOD. Maar dat is geen slim plan, vinden Roger van de Berg en Boris de Best, beiden fiscalist bij Baker McKenzie. „De Amerikaanse belastingdienst vraagt bij cryptohandelsplatformen al de namen van ‘rekeninghouders’ of deelnemers op. Wij verwachten dat het niet lang meer zal duren voor onze Belastingdienst dat ook gaat doen.”

Bron: nrc

Beleid schenkbelasting bij huwelijk en huwelijkse voorwaarden

Het aangaan van een huwelijk of het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden leidt in enkele situaties niet tot heffing van schenkbelasting. Dat laat de staatssecretaris van Financiën weten via een beleidsbesluit.

Uitgangspunt voor toepassing van de Successiewet, die de schenkbelasting regelt, is dat het aangaan van een huwelijk zonder het opstellen van huwelijkse voorwaarden geen schenking is. Dit geldt voor huwelijken in de beperkte gemeenschap van goederen die per 1 januari standaard is en gold voor huwelijken in algehele gemeenschap van goederen die voor die datum zijn gesloten.

Huwelijkse voorwaarden
Als echtgenoten er voor kiezen om huwelijkse voorwaarden op te stellen – bij het sluiten van het huwelijk of tijdens het huwelijk – of te wijzigen dan kan er sprake zijn van een schenking. In verschillende situaties is daar geen sprake van. Ten eerste als echtgenoten besluiten om hun huwelijkse voorwaarden om te zetten in een wettelijke gemeenschap van goederen. Ten tweede als echtgenoten voorafgaand aan het huwelijk huwelijkse voorwaarden opstellen waarbij een algehele gemeenschap van goederen wordt aangegaan, waarin echtgenoten voor gelijke delen gerechtigd zijn. Echtgenoten kunnen ook tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden opstellen of wijzigen waarbij een algehele gemeenschap van goederen ontstaat waarin beide echtgenoten voor gelijke delen gerechtigd zijn. Ook in deze gevallen is voor de toepassing van de Successiewet geen sprake van een schenking tussen de echtgenoten.

Verrekenbeding
Een derde situatie waarbij geen schenkbelasting betaald hoeft te worden is als echtgenoten huwen buiten iedere gemeenschap en in de huwelijkse voorwaarden een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding is opgenomen op grond waarvan bij echtscheiding en overlijden – of alleen bij overlijden – de vermogens worden verrekend alsof er sprake is van een gemeenschap van goederen. 

Ongelijke delen
Als één van beide echtgenoten direct voorafgaand aan het aangaan van of het wijzigen in een algehele gemeenschap van goederen meer vermogen bezat dan de andere echtgenoot, leidt een andere verdeelsleutel dan 50-50 niet tot een schenking waarop de Successiewet van toepassing is. Die echtgenoot moet dan wel gerechtigd blijven tot tenminste 50 procent van het tot de algehele gemeenschap van goederen behorende vermogen en ten hoogste tot de gerechtigdheid die hij al had. Dit geldt ook als echtgenoten een huwelijk aangaan onder huwelijkse voorwaarden waarbij iedere gemeenschap is uitgesloten en waarbij zij op hetzelfde moment of tijdens het huwelijk alsnog een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding zijn overeenkomen dat hen ertoe verplicht om bij echtscheiding en overlijden – of alleen bij overlijden – hun vermogens te verrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Bron: knb

Absurde belastingzaken – Spijt van opgeven zwart vermogen

De fiscus maakte het voor zwartspaarders interessant om hun vermogen alsnog aan te geven, er werd dan geen boete opgelegd. Maar gebruikmaken van deze ‘inkeerregeling’ kan  onverwachte gevolgen hebben en opeens veel duurder uitvallen.

Dit merkt een dochter als haar ouders besluiten om hun zwarte vermogen  aan te geven. Zij moet tienduizenden euro’s betalen over geld dat ze bijna 24 jaar geleden van haar ouders heeft gekregen.

Haar ouders hebben haar ‘zwart geld’ geschonken, direct vanaf hun verzwegen buitenlandse bankrekening. De dochter heeft dat geldbedrag (ongeveer 243.000 euro) buiten het zicht van de fiscus gehouden door op 2 juli 1991 zelf ook een buitenlandse bankrekening te openen.

Driedubbele inkeer in 2013

Het gaat hier om een familie van zwartspaarders – ook haar broer heeft een nooit opgegeven buitenlandse bankrekening. De ouders geven op 30 oktober 2013 hun zwarte vermogen aan bij de Belastingdienst om te ontkomen aan een boete. Op 20 november 2013 doen ook de dochter en haar broer een beroep op de zogeheten inkeerregeling en geven hun buitenlandse rekeningen op.

De dochter sluit (ook) een vaststellingsovereenkomst met de fiscus. Hierin is afgesproken dat de over 2001 tot en met 2012 verschuldigde inkomstenbelasting, met heffingsrente, in één keer wordt nagevorderd.

Haar gemachtigde heeft ongeveer anderhalve maand daarvoor contact gehad met de belastinginspecteur over de hoogte van de banktegoeden in die jaren.

De inspecteur zelf is niet zo geïnteresseerd in het bedrag dat op 2 juli 1991 is gestort, dit is immers niet van belang voor de aanslagen inkomstenbelasting. Maar zijn collega van de Inspectie Schenk- en Erfbelasting (S&E) zal deze informatie wel interessant vinden. Hij schrijft aan de gemachtigde: ‘Maar ik zal de inspecteur schenk- en erfbelasting hiervan op de hoogte stellen. Indien nodig, zal de inspecteur S&E contact met u/uw cliënt opnemen.’

Alsnog een aanslag schenkbelasting

Eind maart 2015 arriveert een brief waarin de inspecteur S&E een navorderingsaanslag schenkbelasting aankondigt. De dochter moet voor de schenking van bijna 24 jaar geleden ruim 37.000 euro aan de fiscus betalen.

Zij denkt dat de schenking al lang is verjaard, de fiscus moet immers binnen twaalf jaar een aanslag opleggen voor tegoeden op buitenlandse rekeningen. Maar de dochter komt bedrogen uit, want volgens de inspecteur geldt een uitzondering voor verzwegen schenkingen. Hierdoor begint de termijn voor het opleggen van een aanslag schenkbelasting pas te lopen nadat de schenker of de ontvanger is overleden.

De vrouw laat het er niet bij zitten en begint een procedure.

Aanslag schenkbelasting blijft in stand

Het baat haar niet, zowel de Rechtbank Den Haag als het Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de aanslag schenkbelasting terecht is opgelegd.

Er zijn twee verschillende data van belang. Ten eerste de datum waarop voor het eerst een aanslag kan worden opgelegd, dit is het moment waarop de schenking is ontvangen. Daarnaast is de datum van belang waarop er nog een aanslag kan worden opgelegd. Voor deze tweede datum maakt het wel degelijk uit dat de schenking nooit is aangegeven.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslag pas opgelegd nadat de schenking is ontvangen, zodat de aanslag niet te vroeg is vastgesteld. Hij heeft de aanslag ook niet te laat opgelegd, omdat de termijn pas drie jaar na het overlijden van de schenker of de begiftigde begint te lopen.

Volgens het Gerechtshof Den Haag maakt het niet uit dat de schenking bijna 24 jaar geleden was. De speciale regeling is ook niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) omdat hiermee misbruik wordt voorkomen.

Vaststellingsovereenkomst was alleen voor de inkomstenbelasting

Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de gesloten vaststellingsovereenkomst geen enkele garantie gaf voor het uitblijven een aanslag schenkbelasting.

De dochter heeft alleen voor de inkomstenbelasting een beroep op de inkeerregeling gedaan. Ook is er in de vaststellingsovereenkomst niets geregeld voor de schenkbelasting. Bovendien staat er in de correspondentie over de toepassing van de inkeerregeling duidelijk dat een aanslag schenkbelasting niet was uitgesloten.

Bron: Elsevier

Modern bezwaar mogelijk voor de inkomstenbelastingen en zorgverzekeringswet

Tegen de aanslagen inkomstenbelasting en/of zorgverzekeringswet kan voortaan digitaal bezwaar worden aangetekend. 

Wat is een OBV?

Voor digitaal bezwaar kan digitaal gebruik gemaakt worden van de OBV: de zogenaamde online bezwaarvoorziening. Deze biedt óók de mogelijkheid om bijlagen mee te sturen.

Voordelen van de OBV

Groot voordeel is dat je als belastingplichtige kunt volgen wat er met je bezwaarschrift gebeurt. Dat wil zeggen je kunt zien of het bezwaarschrift is ontvangen. Tevens kun je de fase zien waarin het bezwaarschrift zich bevind en de volgende stappen volgen. Dit laatste maakt dat het systeem binnen de belastingdienst meer transparant is voor de buitenstaander, de belastingplichtige. Dit zal een verbetering in de communicatie tussen belastingdienst en burger opleveren en als het goed is minder werk. Via de bezwaarcheck kan nagegaan worden of, indien een aanvulling op de aangifte nodig is, volstaan kan worden met een aanvulling op de aangifte dan wel dat er bezwaar aangetekend moet worden omdat de aanslag al is opgelegd.

Alleen voor ondernemers en particulieren

Helaas voor de belastingadviseurs, zij kunnen nog geen gebruik maken van deze Online BezwaarVoorziening en zullen in geval van bezwaar dus op de oude vertrouwde wijze, bezwaar aan moeten tekenen.

Bron: Actuele Artikelen

Afschaffing dividendbelasting: zou het de dga moeten uitmaken?

De kabinetsformatie is amper een feit en er is meteen een fiscaal hoofdpijndossier uit de grond gerezen. Het kabinet mag aan de bak om zijn voornemen tot afschaffen van de dividendbelasting te verdedigen. 

Kritiek ten aanzien van de maatregel kwam eerst omdat het kabinet niet direct een goed verhaal had over ‘het waarom’ ervan. Vervolgens kwamen er geruchten dat prominente multinationals de formerende partijen onder druk zouden hebben gezet om de maatregel in het regeerakkoord op te nemen. Afschaffing van de dividendbelasting zou namelijk gunstig zijn voor hun aandeelhouders.

Hoe zit dat nu? Als een in Nederland gevestigde dochtermaatschappij van een internationaal concern dividend uitkeert aan haar moedervennootschap in het buitenland, dan houdt Nederland nu nog dividendbelasting in. Het belastingverdrag met dat land maakt het vervolgens in een aantal gevallen mogelijk om een deel van die belasting terug te halen. Daarnaast zijn er wellicht ook verrekeningsmogelijkheden in het buitenland zelf. Het hele proces van belasting terughalen en/of verrekenen is gecompliceerd en kost veel tijd en geld.

Zou de dividendbelasting worden afgeschaft, dan ben je als multinational gelijk van dit hele ‘gedoe’ af. Het zou dus heel goed kunnen dat multinationals hiervoor pleiten. Maar word je er als ‘gewone’ Nederlandse dga ook beter van?

Het korte antwoord is: ja. De dividendbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting in box 2. Als een dga nu dividend uitkeert, moet ‘zijn’ BV direct 15% dividendbelasting afdragen aan de fiscus. Via de aangifte inkomstenbelasting en de daaropvolgende aanslag draagt de dga nog eens 10% inkomstenbelasting af, waarmee de totale heffing over het dividend op 25% komt.

Zou de dividendbelasting worden afgeschaft, dan hoeft de BV niet direct de dividendbelasting af te dragen (liquiditeitsvoordeel) en hoeft de dga geen aangifte dividendbelasting op te stellen. Scheelt toch tijd en geld. Even afwachten nog of dit feestje voor de dga (en de multinational) echt doorgaat. 

Bron: Actuele Artikelen

Hoe verandert de belasting voor AOW'ers?

Het nieuwe kabinet wil dat ook AOW-gerechtigden meeprofiteren van de belastingherziening. Deze groep krijgt te maken met drie belastingtarieven in plaats van vier. Vooral de middengroepen onder de AOW-gerechtigden hebben hier profijt van.

Dat het belastingstelsel op de schop gaat werd eerder al bekend. Van de vier belastingschijven blijven er twee over.

Maar voor mensen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt of ouder zijn, gelden andere tarieven. Zij betalen in de eerste twee schijven geen AOW-premie, waardoor dat belastingpercentage een stuk lager ligt. Grofweg betalen zij daardoor 18 procent minder belasting dan mensen die werken. Dat fiscale verschil tussen ouderen en niet-ouderen blijft onder het nieuwe kabinet bestaan.

Om hun te laten meeprofiteren van de belastingherziening verdwijnt een van de belastingschijven.

 

Nieuwe belastingtarieven AOW’ers

BELASTBAAR INKOMEN PERCENTAGE t/m 34.000 euro 19 procent 34.000 t/m 68.000 euro 36,93 procent vanaf 68.000 euro 49,5 procent

Oude belastingtarieven AOW’ers

BELASTBAAR INKOMEN PERCENTAGE t/m 19.981 euro 18,65 procent 19.982 t/m 34.129 22,90 procent 34.130 euro t/m 67.071 euro 40,8 procent vanaf 67.072 euro 52 procent

Lage inkomens

Het laagste tarief gaat dus omhoog (van 18,65 naar 19 procent). Volgens de doorrekeningen van het CPB wordt die groep gecompenseerd door een hogere heffingskorting en ouderenkorting. In koopkracht gaan ook zij er dus op vooruit.

Desondanks gaan niet alle gepensioneerden erop vooruit, zo blijkt uit de doorrekeningen. Dat heeft een andere oorzaak: de pensioenfondsen. Die staan er financieel niet gunstig voor, waardoor zij soms een lager pensioen moeten uitkeren.

Zij ondervinden wel het nadeel van de hogere inflatie, maar de aanvullende pensioenen bewegen niet volledig mee met de contractlonen, omdat ze beperkt worden geïndexeerd. Dat zal een deel van de ouderen met een midden- en hoger inkomen treffen. Ongeveer 8 procent van de ouderen heeft daarmee te maken.

Het nieuwe belastingsysteem gaat waarschijnlijk in 2020 in.

Bron: nos