Kabinet: hardere aanpak frauduleuze faillissementen

De mogelijkheden om via het strafrecht harder en effectiever op te treden tegen frauduleuze faillissementen worden verruimd. Dit blijkt uit een wetsvoorstel van minister Opstelten van Veiligheid en Justitie waarmee de ministerraad heeft ingestemd. Het wetsvoorstel is onderdeel van het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht dat het faillissementsrecht grondig wil moderniseren om het ondernemersklimaat in Nederland gezond te houden.

De nieuwe regeling voorziet in een modernisering van de faillissementsdelicten in het Wetboek van Strafrecht. Deze modernisering vindt plaats in bijna alle bestaande strafbepalingen, met het oog op verbetering van de bruikbaarheid en verhoging van de effectiviteit. Ook worden enkele nieuwe strafbaarstellingen voorgesteld.

Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt ‘terugrechercheren’ moeilijk. Om dit laakbare handelen, waarachter vaak ook andere fraude schuil gaat, beter te kunnen bestrijden komt er een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement met een maximum van twee jaar gevangenisstraf. Die strafbaarstelling biedt tevens een aanknopingspunt om de gang van zaken rond een faillissement te onderzoeken en eventuele fraudepraktijken bloot te leggen.

Verder stelt het kabinet voor frauduleus handelen strafbaar te stellen waardoor een onderneming in ernstige financiële problemen komt, zonder dat daadwerkelijk een faillissement is gevolgd. Dergelijk handelen wordt gestraft met twee jaar gevangenisstraf; is er sprake van persoonlijke verrijking, dan gaat de straf omhoog naar maximaal vier jaar gevangenisstraf. Dit maakt het ook mogelijk om met vroegtijdig strafrechtelijk ingrijpen een faillissement te voorkomen of in ieder geval de schade te beperken.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Bron: Ministerie van Justitie

Incasso van geldvorderingen

Op 1 juli 2012 is de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten in werking getreden. De wet beschermt de consument tegen onredelijk hoge, buitengerechtelijke incassokosten. Er is sindsdien een wettelijk regime dat de maximale hoogte van de incassokosten bepaalt en dat regelt wanneer deze kosten verschuldigd zijn.

Buitengerechtelijke incasso wordt als bedrijfsmatige hoofdactiviteit uitgeoefend door incassobureaus, deurwaarderskantoren en de advocaten. Deurwaarders en advocaten dienen zich te houden aan de wettelijke beroepskaders en de eigen beroepsregels (verordeningen). Zij zijn onderworpen aan het beroepstuchtrecht, dat ook van toepassing is wanneer zij zich bezig houden met incasso.

Incassobureaus zijn gewone ondernemingen en behoren niet tot de wettelijk gereguleerde beroepen. Voor hen gelden dan ook geen afzonderlijke wettelijke regels. Een aantal incassobureaus is lid van de NVI. Zij hebben zich daarmee vrijwillig gebonden aan de regels van het keurmerk, de gedragscode en de klachtenprocedure van deze belangenvereniging.

Voor bedrijven is het een kosten- batenanalyse of ze eerst trachten in eigen beheer de vordering geïnd te krijgen of dat men daarvoor een derde wenst in te schakelen. Incassopogingen kosten tijd en moeite en dat kan een ondernemer uitbesteden als hij die tijd en moeite liever aan zijn kernactiviteiten wil besteden. In de markt is de kwaliteit van dienstverlening een belangrijk onderscheidend concurrentiemiddel. Kwaliteit bij incasso is niet enkel het volledig en snel innen van de uitstaande vordering, maar ook een correcte benadering van de debiteur. Als het gaat om duurcontracten is het behouden van de debiteur als klant minstens zo belangrijk.

Het imago en de handelwijze van de partij die voor de incasso wordt ingeschakeld straalt af op het bedrijf van de crediteur. Sterker nog: wie volgens het Burgerlijk Wetboek contractueel gebruik maakt van de hulp van andere personen, is voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk als voor zijn eigen gedragingen. Het inschakelen van derden brengt dus ook een zekere verantwoordelijkheid met zich mee. Opdrachtgevers doen er verstandig aan zich vooraf rekenschap te geven van met wie men in zee gaat. Een partij die aangesloten is bij een vereniging die in de branche een naam hoog te houden heeft, biedt de opdrachtgever een zekere waarborg dat in zijn naam een kwalitatief verantwoorde incasso wordt uitgevoerd. Dus zal een verstandig ondernemer niet uitsluitend de keuze bepalen aan de hand van de prijs van de incasso, maar ook de betrouwbaarheid en de kwaliteit. En een goede partij zal waarborgen hebben om de geïnde gelden ook daadwerkelijk en tijdig af te dragen aan de opdrachtgever, ook bij (eigen) betalingsmoeilijkheden.

Bron: Actuele artikelen

Regels voor betalingstermijnen

De betalingstermijnen bij overeenkomsten tussen bedrijven en bij overeenkomsten tussen bedrijven en overheden zijn wettelijk vastgelegd. De nieuwe regels gelden voor overeenkomsten die worden gesloten op of na 16 maart 2013. Hoe luiden in het kort de regels?

Business-to-business (B2B)

  • Als een ondernemer contractueel niets regelt, moet de factuur worden betaald uiterlijk 30 dagen na de dag van ontvangst van de factuur.
  • In de overeenkomst mag een langere betaaltermijn van maximaal 60 dagen worden afgesproken.
  • Een betalingstermijn van langer dan 60 dagen is alleen toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is.

​Bedrijven en overheden

Uiterlijk 30 dagen na de dag van ontvangst van de factuur, moet worden betaald. Afwijken van deze termijn is vrijwel niet mogelijk.

Geen of te late betaling

Betaalt de tegenpartij de factuur niet of te laat, dan mag de ondernemer een standaardvergoeding voor incassokosten vragen. De ondernemer hoeft hiervoor geen aanmaning te sturen. Is er niets afgesproken over de hoogte van de vergoeding, dan is de vergoeding een percentage van de rekening. Het minimumbedrag van de vergoeding is € 40. Daarnaast mag de ondernemer wettelijke rente in rekening brengen.

Minimumbetalingstermijn

Er is en er komt geen wettelijke minimumbetalingstermijn. De ondernemer maakt hierover zelf afspraken met de tegenpartij. Hij kan zelfs afspreken vooraf te betalen. Hierbij geldt dat de betalingstermijn niet onredelijk mag zijn.

Bron: Pleinplus

Snellere aansprakelijkheid bestuurder

Zoals u ongetwijfeld weet, kunnen bestuurders tegenover derden aansprakelijk zijn voor hun handelingen ten behoeve van hun B.V. U bent als bestuurder op uw hoede. Verschuilen achter de B.V. is er immers niet altijd bij. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een verwijt aan het adres van een bestuurder echter wel voldoende ernstig te zijn, wil die bestuurder in rechte gehouden kunnen worden tot schadevergoeding. De rechtspraak is daarbij terughoudend: de bestuurder moet het toch behoorlijk bont hebben gemaakt wil zo’n actie kans van slagen hebben. Eind 2012 heeft de Hoge Raad die terughoudendheid enigszins beperkt en wellicht is dat het begin van een ingezette trend.

In de casus die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad wilde een echtpaar een huis kopen in Spanje. Zij bezochten een beurs en kwamen in contact met de bestuurder van een vennootschap die zich richtte op bemiddeling tussen verkopers en kopers van onroerend goed in Spanje. De periode daarna had het echtpaar diverse malen contact met de bestuurder van de vennootschap en werd overeenstemming bereikt over de koopprijs voor een nog te bouwen woning. Weer kort daarna blijken er problemen te zijn met betrekking tot de bouwvergunningen van het woningproject, waarvan de bestuurder van de vennootschap inmiddels ook op de hoogte is. Het echtpaar reist naar Spanje en bezichtigt daar een andere woning met de bestuurder van de vennootschap en hij laat hen daarbij weten dat de woning een goede investering is. Het echtpaar gaat akkoord met de koopprijs van die woning en vervolgens vindt de overdracht plaats. Een deel van de koopprijs wordt voldaan. Een maand daarna verneemt het echtpaar dat de woning door de gemeente is afgebroken, omdat geen bouwvergunning was afgegeven.

Bij de rechtbank kreeg het echtpaar nul op rekest. De vennootschap en diens bestuurder zouden niet zijn opgetreden als makelaar of als bemiddelaar van het project en omdat er geen sprake was van professionele betrokkenheid waren zij niet gehouden tot het doen van nader onderzoek naar de geruchten omtrent problemen ten aanzien van het project. Het gerechtshof dacht daar echter anders over. De vennootschap en diens bestuurder presenteerden zich als deskundig makelaar ten aanzien van de aankoop van onroerend goed in Spanje. Bovendien waren zij professioneel betrokken bij de totstandkoming van beide koopovereenkomsten. Op grond van hetgeen krachtens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, hadden zij zich de belangen van het echtpaar dienen aan te trekken door zich op de hoogte te stellen van de (on)mogelijkheden van woningbouw ter plaatse. De vennootschap en diens bestuurder had het echtpaar aldus wel degelijk dienen te waarschuwen. Dat nalaten wordt zowel de vennootschap als de bestuurder persoonlijk toegeschreven. De Hoge Raad sluit zich daarbij aan.

Wat in deze kwestie nieuw is, is de omstandigheid dat de bestuurder aansprakelijk is gehouden voor het in strijd handelen met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting. Dat is iets anders dan een tekortschietende en onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder van de vennootschap. Een gedupeerde derde zal in de meeste gevallen voor twee ankers gaan liggen. In de eerste plaats zal deze stellen dat er sprake is van een tekortkoming of onrechtmatig handelen van de vennootschap, waarbij de bestuurder tevens wordt aangesproken omdat deze zijn boekje in hoedanigheid van bestuurder te buiten is gegaan en daardoor tekort is geschoten of zijn taak onbehoorlijk heeft uitgeoefend. Dan moet er sprake zijn van een voldoende ernstig verwijt.

Daarnaast zal die derde gaan voor de op zichzelf staande onrechtmatige daad: de bestuurder heeft een persoonlijke zorgvuldigheidsverplichting geschonden, waarvan reeds sprake kan zijn als er een ernstig verwijt bestaat. De bestuurder staat in hoedanigheid van mens van vlees en bloed centraal die net als anderen zich heeft te houden aan zorgvuldigheidsnormen. Naar aanleiding van het recente arrest van de Hoge Raad zal een bestuurder extra oplettend dienen te zijn dat hij tijdens zijn taakvervulling geen persoonlijke zorgvuldigheidsverplichtingen schendt. Indien een bestuurder zich daar verre van houdt, is een defensieve(re) houding niet noodzakelijk.

Bron: Actuele artikelen

Bevoegdheden buitenlandse faillissementscurator met betrekking tot Nederlandse vermogensbestanddelen

De curator in een in het buitenland uitgesproken faillissement kan in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, beheers- en beschikkingshandelingen verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land bevoegd is. De tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd.

Achtergrond

Deze zaak betreft het faillissement van de (voormalige) Russische vennootschap Yukos Oil. In een eerder deelarrest verklaarde de Hoge Raad de Russische faillissementscurator niet-ontvankelijk, omdat deze na het instellen van hoger beroep de hoedanigheid van curator had verloren (zie CB 2012-143).

Thans gaat het om de (materiële) vraag welke bevoegdheden de Russische faillissementscurator in Nederland toekomen met betrekking tot de hier aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Meer concreet betreft het de rechtsgeldigheid van een reeks besluiten die de curator heeft genomen als aandeelhouder van Yukos Finance B.V. (een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van Yukos Oil), die zijn uitgemond in de verkoop en levering van Yukos Finance B.V. aan eiseres tot cassatie Promneftstroy.

Op de achtergrond speelt de vraag of het Russische faillissementsvonnis überhaupt voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg van niet, omdat het vonnis tot stand zou zijn gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Het hof heeft deze kwestie in het midden gelaten, omdat naar zijn oordeel reeds het internationaalprivaatrechtelijke territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan het liquideren van Nederlandse vermogensbestanddelen door de Russische curator (vgl. de conclusie van A-G Vlas, sub 2.1-2.2).

Territorialiteitsbeginsel: drie regels

De Hoge Raad denkt hier anders over. Onder verwijzing naar zijn eerdereYukos-arrest uit 2008 (in kort geding) stelt hij voorop dat de territoriale werking van een in een ander land uitgesproken faillissement meebrengt (a) dat Nederlandse baten buiten het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag vallen en (b) dat de volgens het recht van dat andere land aan het faillissement verbonden rechtsgevolgen in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen. Overigens (c) staat het territorialiteitsbeginsel volgens de Hoge Raad níet in de weg aan de werking in Nederland van (andere) gevolgen van een buitenlands faillissement (rov. 3.2.1).

Deze regels brengen mee, zo vervolgt de Hoge Raad, dat de curator in een buitenlands faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort – maar waarop het faillissementsbeslag niet rust (vgl. regel (a)) – beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land (de “lex concursus”) bevoegd is (regel (c)). De curator kan dus Nederlandse vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen (rov. 3.2.2).

Regel (b) staat volgens de Hoge Raad aan het voorgaande niet in de weg (zoals het hof mogelijk heeft gemeend). Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat onvoldane schuldeisers zich, zolang er in Nederland vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde aanwezig zijn, daarop kunnen verhalen. Regel (b) gaat niet zo ver dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het buitenlandse faillissement zouden moeten blijven. De buitenlandse curator kan dus de in Nederland gelegen boedelbestanddelen ten bate van de gezamenlijke schuldeisers te gelde maken, zij het met respectering van de daarop inmiddels gelegde beslagen (rov. 3.2.2).

Afdoening

Tegen deze achtergrond volgt vernietiging. ’s Hofs oordeel dat de buitenlandse curator niet bevoegd is Nederlandse vermogensbestanddelen te liquideren, teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad staat het territorialiteitsbeginsel niet zonder meer aan een dergelijke bevoegdheidsuitoefening door de buitenlandse curator in de weg (rov. 3.3.1).

A-G Vlas meende dat ’s hofs arrest op dit punt in stand kon blijven, nu het hof had geoordeeld (en had kunnen oordelen) dat er in casu onvoldane Nederlandse crediteuren in de zin van regel (b) waren of konden zijn geweest (conclusie, sub 2.12). De Hoge Raad acht ’s hofs oordeel op dit punt echter onbegrijpelijk, nu Promneftstroy c.s. hadden aangevoerd dat tot op heden geen andere schuldeisers van Yukos Oil bekend waren dan twee andere tot het Yukos-concern behorende vennootschappen, die beide al voor de levering door de curator van de aandelen in Yukos Finance B.V. conservatoir beslag op die aandelen hadden gelegd (rov. 3.3.2).

Na verwijzing moet alsnog worden bezien, zo signaleert de Hoge Raad in rov. 3.3.4, of het Russische faillissementsvonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. In dat geval komt het immers niet voor erkenning in Nederland in aanmerking en kan van bevoegdheidsuitoefening door de Russische faillissementscurator in Nederland geen sprake zijn (vgl. het in rov. 3.2.2 tussen haakjes gemaakte voorbehoud).

Bron: Cassatieblog

BevoegdhedenbuitenlandsefaillissementscuratormetbetrekkingtotNederlandsevermogensbestanddelen

<p>De curator in een in het buitenland uitgesproken faillissement kan in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, beheers- en beschikkingshandelingen verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land bevoegd is. De tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd.</p>
<p><strong>Achtergrond</strong></p>
<p>Deze zaak betreft het faillissement van de (voormalige) Russische vennootschap Yukos Oil. In een eerder&nbsp;<a href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BU5630" target="_blank">deelarrest</a>&nbsp;verklaarde de Hoge Raad de Russische faillissementscurator niet-ontvankelijk, omdat deze na het instellen van hoger beroep de hoedanigheid van curator had verloren (zie&nbsp;<a href="http://cassatieblog.nl/proces-en-beslagrecht/ontvankelijkheid-faillissementscurator-na-verlies-van-deze-hoedanigheid-door-einde-faillissement/" target="_blank">CB 2012-143</a>).</p>
<p>Thans gaat het om de (materi&euml;le) vraag welke bevoegdheden de Russische faillissementscurator in Nederland toekomen met betrekking tot de hier aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Meer concreet betreft het de rechtsgeldigheid van een reeks besluiten die de curator heeft genomen als aandeelhouder van Yukos Finance B.V. (een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van Yukos Oil), die zijn uitgemond in de verkoop en levering van Yukos Finance B.V. aan eiseres tot cassatie Promneftstroy.</p>
<p>Op de achtergrond speelt de vraag of het Russische faillissementsvonnis &uuml;berhaupt voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg van niet, omdat het vonnis tot stand zou zijn gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Het hof heeft deze kwestie in het midden gelaten, omdat naar zijn oordeel reeds het internationaalprivaatrechtelijke&nbsp;territorialiteitsbeginsel&nbsp;in de weg staat aan het liquideren van Nederlandse vermogensbestanddelen door de Russische curator (vgl. de conclusie van A-G Vlas, sub 2.1-2.2).</p>
<p><strong>Territorialiteitsbeginsel: drie regels</strong></p>
<p>De Hoge Raad denkt hier anders over. Onder verwijzing naar zijn eerdere<a href="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2008:BG3573" target="_blank">Yukos-arrest</a>&nbsp;uit 2008 (in kort geding) stelt hij voorop dat de territoriale werking van een in een ander land uitgesproken faillissement meebrengt (a) dat Nederlandse baten buiten het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag vallen en (b) dat de volgens het recht van dat andere land aan het faillissement verbonden rechtsgevolgen in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen. Overigens (c) staat het territorialiteitsbeginsel volgens de Hoge Raad n&iacute;et in de weg aan de werking in Nederland van (andere) gevolgen van een buitenlands faillissement (rov. 3.2.1).</p>
<p>Deze regels brengen mee, zo vervolgt de Hoge Raad, dat de curator in een buitenlands faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort &ndash; maar waarop het faillissementsbeslag niet rust (vgl. regel (a)) &ndash; beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land (de &ldquo;lex concursus&rdquo;) bevoegd is (regel (c)). De curator kan dus Nederlandse vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde&nbsp;beslagen&nbsp;moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen (rov. 3.2.2).</p>
<p>Regel (b) staat volgens de Hoge Raad aan het voorgaande niet in de weg (zoals het hof mogelijk heeft gemeend). Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat onvoldane schuldeisers zich, zolang er in Nederland vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde aanwezig zijn, daarop kunnen verhalen. Regel (b) gaat niet zo ver dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het buitenlandse faillissement zouden moeten blijven. De buitenlandse curator kan dus de in Nederland gelegen boedelbestanddelen ten bate van de gezamenlijke schuldeisers te gelde maken, zij het met respectering van de daarop inmiddels gelegde beslagen (rov. 3.2.2).</p>
<p><strong>Afdoening</strong></p>
<p>Tegen deze achtergrond volgt vernietiging. &rsquo;s Hofs oordeel dat de buitenlandse curator niet bevoegd is Nederlandse vermogensbestanddelen te liquideren, teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad staat het territorialiteitsbeginsel niet zonder meer aan een dergelijke bevoegdheidsuitoefening door de buitenlandse curator in de weg (rov. 3.3.1).</p>
<p>A-G Vlas meende dat &rsquo;s hofs arrest op dit punt in stand kon blijven, nu het hof had geoordeeld (en had kunnen oordelen) dat er in casu onvoldane Nederlandse crediteuren in de zin van regel (b) waren of konden zijn geweest (conclusie, sub 2.12). De Hoge Raad acht &rsquo;s hofs oordeel op dit punt echter onbegrijpelijk, nu Promneftstroy c.s. hadden aangevoerd dat tot op heden geen andere schuldeisers van Yukos Oil bekend waren dan twee andere tot het Yukos-concern behorende vennootschappen, die beide al voor de levering door de curator van de aandelen in Yukos Finance B.V. conservatoir beslag op die aandelen hadden gelegd (rov. 3.3.2).</p>
<p>Na verwijzing moet alsnog worden bezien, zo signaleert de Hoge Raad in rov. 3.3.4, of het Russische faillissementsvonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. In dat geval komt het immers niet voor erkenning in Nederland in aanmerking en kan van bevoegdheidsuitoefening door de Russische faillissementscurator in Nederland&nbsp;geen sprake zijn (vgl. het in rov. 3.2.2 tussen haakjes gemaakte voorbehoud).</p>
Bron: Cassatieblog

Regels voor betalingstermijnen

De betalingstermijnen bij overeenkomsten tussen bedrijven en bij overeenkomsten tussen bedrijven en overheden zijn wettelijk vastgelegd. De nieuwe regels gelden voor overeenkomsten die worden gesloten op of na 16 maart 2013. Hoe luiden in het kort de regels?

Business-to-business (B2B)

  • Als en ondernemer contractueel niets regelt, moet de factuur worden betaald uiterlijk 30 dagen na de dag van ontvangst van de factuur.
  • In de overeenkomst mag een langere betaaltermijn van maximaal 60 dagen worden afgesproken.
  • Een betalingstermijn van langer dan 60 dagen is alleen toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is.

​Bedrijven en overheden

Uiterlijk 30 dagen na de dag van ontvangst van de factuur, moet worden betaald. Afwijken van deze termijn is vrijwel niet mogelijk.

Geen of te late betaling

Betaalt de tegenpartij de factuur niet of te laat, dan mag de ondernemer een standaardvergoeding voor incassokosten vragen. De ondernemer hoeft hiervoor geen aanmaning te sturen. Is er niets afgesproken over de hoogte van de vergoeding, dan is de vergoeding een percentage van de rekening. Het minimumbedrag van de vergoeding is € 40. Daarnaast mag de ondernemer wettelijke rente in rekening brengen.

Minimumbetalingstermijn

Er is en er komt geen wettelijke minimumbetalingstermijn. De ondernemer maakt hierover zelf afspraken met de tegenpartij. Hij kan zelfs afspreken vooraf te betalen. Hierbij geldt dat de betalingstermijn niet onredelijk mag zijn.

Bron: Pleinplus

Ruimere mogelijkheden om faillissementsfraude op te sporen

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie verruimt de strafrechtelijke mogelijkheden om effectiever en harder op te treden tegen frauduleuze faillissementen. Verder maakt hij werk van de bestrijding van bewust onbehoorlijk ondernemerschap, dat een bedrijf te gronde kan richten en grote maatschappelijke schade kan veroorzaken. Met zijn aanpak wil hij faillissementsfraude beter kunnen opsporen en vervolgen. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat de minister voor advies naar verschillende instanties heeft gestuurd.

Het wetsvoorstel is onderdeel van het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht dat het faillissementsrecht grondig wil moderniseren om het ondernemersklimaat in Nederland gezond te houden.

Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt ‘terugrechercheren’ moeilijk. Om dit buitengewoon laakbare handelen, waarachter vaak ook andere fraude schuil gaat, beter te kunnen bestrijden komt er een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement met een maximum van twee jaar gevangenisstraf. Die strafbaarstelling biedt tevens een aanknopingspunt om de gang van zaken rond een faillissement te onderzoeken en eventuele fraudepraktijken bloot te leggen.

Een ander belangrijk onderdeel van het voorstel is de verbetering van de mogelijkheden om frauduleus handelen vóór intreding van het faillissement aan te pakken. De bestaande strafbaarstellingen van faillissementsfraude worden met het oog hierop aangescherpt. Het gaat onder andere om de aanpak van bestuurders die allerlei buitensporige uitgaven hebben gedaan vóór het faillissement. Of om personen die de activa uit een BV trekken en overzetten naar een andere BV, en de eerste BV vervolgens moedwillig failliet laten gaan, waardoor schuldeisers achter het net vissen. Voorwaarde voor vervolging in dergelijke gevallen is het daadwerkelijk intreden van het faillissement.

Minister Opstelten stelt in aanvulling hierop ook strafbaarstelling voor van frauduleus handelen waardoor een onderneming in ernstige financiële problemen komt, zonder dat daadwerkelijk een faillissement is gevolgd. Dergelijk handelen wordt gestraft met twee jaar gevangenisstraf; is er sprake van persoonlijke verrijking, dan gaat de straf omhoog naar maximaal vier jaar gevangenisstraf. Dit maakt het mogelijk om met vroegtijdig strafrechtelijk ingrijpen een faillissement te voorkomen of in ieder geval de schade te beperken.

Bovendien verdwijnt daarmee een oneigenlijke verschil tussen strafbaarheid van fraudeurs. Nu is daar sprake van als de onderneming failliet gaat en niet wanneer dit – bijvoorbeeld door een reddingsoperatie – wordt voorkomen.

Bron: Ministerie van Justitie

Ruimere mogelijkheden om faillissementsfraude op te sporen

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie verruimt de strafrechtelijke mogelijkheden om effectiever en harder op te treden tegen frauduleuze faillissementen. Verder maakt hij werk van de bestrijding van bewust onbehoorlijk ondernemerschap, dat een bedrijf te gronde kan richten en grote maatschappelijke schade kan veroorzaken. Met zijn aanpak wil hij faillissementsfraude beter kunnen opsporen en vervolgen. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat de minister voor advies naar verschillende instanties heeft gestuurd.

Het wetsvoorstel is onderdeel van het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht dat het faillissementsrecht grondig wil moderniseren om het ondernemersklimaat in Nederland gezond te houden.

Fraudeurs ontspringen nu vaak de dans als de curator een lege boedel aantreft. Activa van de onderneming blijken voor het intreden van het faillissement al weggesluisd en er is opzettelijk geen administratie gevoerd. Dit maakt ‘terugrechercheren’ moeilijk. Om dit buitengewoon laakbare handelen, waarachter vaak ook andere fraude schuil gaat, beter te kunnen bestrijden komt er een aparte strafbaarstelling van overtreding van de administratieplicht bij faillissement met een maximum van twee jaar gevangenisstraf. Die strafbaarstelling biedt tevens een aanknopingspunt om de gang van zaken rond een faillissement te onderzoeken en eventuele fraudepraktijken bloot te leggen.

Een ander belangrijk onderdeel van het voorstel is de verbetering van de mogelijkheden om frauduleus handelen vóór intreding van het faillissement aan te pakken. De bestaande strafbaarstellingen van faillissementsfraude worden met het oog hierop aangescherpt. Het gaat onder andere om de aanpak van bestuurders die allerlei buitensporige uitgaven hebben gedaan vóór het faillissement. Of om personen die de activa uit een BV trekken en overzetten naar een andere BV, en de eerste BV vervolgens moedwillig failliet laten gaan, waardoor schuldeisers achter het net vissen. Voorwaarde voor vervolging in dergelijke gevallen is het daadwerkelijk intreden van het faillissement.

Minister Opstelten stelt in aanvulling hierop ook strafbaarstelling voor van frauduleus handelen waardoor een onderneming in ernstige financiële problemen komt, zonder dat daadwerkelijk een faillissement is gevolgd. Dergelijk handelen wordt gestraft met twee jaar gevangenisstraf; is er sprake van persoonlijke verrijking, dan gaat de straf omhoog naar maximaal vier jaar gevangenisstraf. Dit maakt het mogelijk om met vroegtijdig strafrechtelijk ingrijpen een faillissement te voorkomen of in ieder geval de schade te beperken.

Bovendien verdwijnt daarmee een oneigenlijke verschil tussen strafbaarheid van fraudeurs. Nu is daar sprake van als de onderneming failliet gaat en niet wanneer dit – bijvoorbeeld door een reddingsoperatie – wordt voorkomen.

Bron: Ministerie van Justitie

Onderneming te lang voortzetten is benadeling schuldeisers

Ondernemen is proberen om nieuwe kansen te scheppen. Wie daarvoor de financiële middelen niet heeft, kan proberen om een krediet af te sluiten. Aan nieuwe kansen zijn meestal ook nieuwe risico’s verbonden. Als dat gunstig uitpakt, is een nieuwe markt aangeboord, maar als het niet goed uitpakt dan rijst de vraag hoe het krediet kan worden afgelost. Bij een beperkte kredietfaciliteit is dat zelden een probleem, maar als meerdere plannen zijn gefinancierd met een krediet, dan kan het problematisch worden. Onderhandelen met de schuldeisers biedt in een dergelijke situatie de kans om zelf de regie te houden, en met name ook de onderneming zelf te behouden. Soms is ook dat een gepasseerd station.

Onlangs kwam een zaak voor de rechter waarin de uiterste consequentie moest worden getrokken, namelijk een aanvraag tot schuldsanering. Dat kan zolang de onderneming niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gedreven, want voor een rechtspersoon bestaat uitsluitend het middel van een faillissementsaanvraag.

Wie als (ex)-ondernemer zijn schuldenlast wil laten saneren via de rechter heeft een bewijslast. Hij moet aannemelijk maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schuldenlast. Recent werd een ex-ondernemer door de rechter verweten dat hij te lang zijn eenmanszaak had voortgezet toen hem al duidelijk had moeten zijn dat het bedrijf – door een wijziging in de verkeerssituatie – in een isolement was geraakt er dat er weinig of geen perspectief meer in zat. Hij leende voortdurend bij om het hoofd boven water te houden en om te proberen om nieuwe kansen te scheppen. Door uitbreiding van zijn assortiment trachtte hij meer klanten te trekken op de oude locatie die niet meer ‘in de loop lag’. Risico’s nemen is natuurlijk eigen aan ondernemen en moet op zichzelf positief gewaardeerd worden, ook als het tij tegenzit. Tenslotte is de onderneming ‘het eigen kindje’ dat je niet zonder slag of stoot opgeeft. En ondernemers staan nu eenmaal positief in het leven ten aanzien van het eigen kunnen en de mogelijke kansen. Maar het wordt anders vanaf het moment waarop een prudent handelend ondernemer behoort in te zien dat de verwachting niet meer realistisch is dat die verdere investeringen kunnen worden terugverdiend en dat aanvullende kredieten niet meer kunnen worden afgelost. Dan slaat ondernemingszin om in schuldeisersbenadeling en dan wordt het nemen van risico’s tot doormodderen tegen beter weten in.

Toen de verkeerssituatie zich wijzigde door toedoen van de gemeente, had een goed ondernemer zakelijke consequenties behoren te trekken uit deze onomkeerbare situatie. De rechter suggereert dat hij had kunnen overwegen om zijn bedrijf elders te vestigen, waar wel voldoende aanloop zou zijn, dan wel de onderneming te sluiten. Zeker nu hij als directeur van zijn vennootschap eerder betrokken was geweest bij een faillissement, had men van hem meer ervaring en voorzichtigheid mogen verwachten, aldus de rechtbank. Het lag ook niet voor de hand om in een dergelijke situatie nog langjarige reclamecontracten aan te gaan, nieuwe kantoormeubelen aan te schaffen en een nieuw leasecontract te sluiten voor een eigen bedrijfsauto. Of men nu handelt als particulier of als ondernemer, eigenlijk luidt het criterium in beide typen gevallen dat schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan indien op dat moment van aangaan van de verplichting, gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker, redelijkerwijs geen uitzicht bestond op de aflossing daarvan. Wie daar te lichtzinnig in handelt, neemt bewust de kans op benadeling van de schuldeisers. 

Bron: Actuele artikelen