Een onzakelijke lening?

Hier is al veel over te doen geweest. Veel is al duidelijker geworden door de rechtspraak die er is geweest maar er is toch ook nog veel onduidelijk. Denk onder andere aan de fiscale gevolgen bij een verlies op een onzakelijke lening en dan specifiek in de sfeer van het ter beschikking stellen van vermogen aan de eigen B.V.

Wanneer is onder meer sprake van een onzakelijke lening?

Volgens de rechter is daarvan sprake als een onafhankelijke derden niet onder dezelfde condities een soortgelijke lening aan de B.V. zou hebben verstrekt.  Dan is de lening onzakelijk!
Zou echter alleen de rente niet overeenstemmen met de condities van een derde dan kan bezien worden tegen welk rente percentage er wel van een zakelijke lening sprake zou zijn. De lening kan dan verzakelijkt worden. Let op echter, dat de rente niet zodanig hoog wordt vast gesteld dat feitelijk sprake is van een winstdeling. Want ook dan wordt de lening als onzakelijk aangemerkt.

Als de lening als onzakelijk wordt aangemerkt en een aanpassing niet ( meer) mogelijk is, dan heeft dat tot gevolg dat een eventueel verlies op deze lening omdat de B.V. deze niet meer kan terugbetalen, privé niet ten laste van het inkomen in box 1 mag worden gebracht. De lening behoort dan namelijk voortaan tot box 2, de box voor alle voordelen en kosten voortkomend uit het zijn van een zogenaamde aanmerkelijk belang aandeelhouder Genoeg reden dus om de condities van de lening nog eens goed onder de loep te nemen en indien nodig tijdig aan te passen.

Bron: Actuele Artikelen

Bewaren van documenten

Als belastingplichtige ben je verplicht je administratie te bewaren. Dat geld zowel voor de prive persoon als voor de ondernemer. Hierna wordt kort ingegaan op wat de ondernemer moet  bewaren.

Je moet alles waarmee uiteindelijk de aangiften BTW, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting tot stand zijn gekomen bewaren. Denk aan de facturen, de debiteuren- en crediteurenadministratie, bonnetjes, loonadministratie, grootboeken, voorraadadministratie etc.

Je moet e.e.a. bewaren in de vorm waarin je het ontvangen hebt. Dus zowel papier als digitaal. Tevens moet je ervoor zorgen dat de programmatuur waarin de administratie is opgemaakt toegankelijk blijft ook als overgestapt is op een ander programma. Je kunt overigens hierover en over alles digital bewaren wel afspraken maken met de belastingdienst. Die stelt dan specifieke voorwaarden.

De bewaartermijn is 7 jaar en vangt aan ná afloop van het boekjaar.

Maken onroerende zaken ook onderdeel uit van de onderneming, dan geldt daar een langere termijn voor, te weten 10 jaar. En spelen er zaken in het buitenland dan gelden daar weer andere spelregels voor. Kortom: oppassen geblazen. Wordt namelijk niet voldaan aan de bewaarplicht dan bestaat er kans dat er een boete wordt opgelegd maar ook kans op strafrechtelijke vervolging.

Reden genoeg dus om de spelregels in dezen na te leven.

Bron: Actuele Artikelen

Belasting ontwijken via een tax ruling: zo werkt het

Iedereen, ook jij, kan bij de Belastingdienst om een tax ruling vragen. Zo’n regeling is niet meer dan een verzoek om duidelijkheid vooraf over hoeveel je de komende tijd aan belasting moet betalen.

Maar hoe slagen bedrijven zoals Nike er in om met behulp van zulke afspraken belasting te ontwijken, zoals Trouw gisteren opmaakte uit de Paradise Papers?

Iedereen moet in principe belasting betalen, ook grote internationale bedrijven. Maar waar burgers vaak onder de belastingdienst van één land vallen, ligt dat bij multinationals ingewikkelder.

Te veel belasting betalen

Om te voorkomen dat bedrijven over dezelfde winst van meerdere landen een belastingaanslag krijgen, en dus dubbel betalen, heeft Nederland met allerlei landen afspraken gemaakt over welke geldstromen onder wie vallen. Dat geldt niet alleen voor internationale geldstromen tussen verschillende bedrijven, maar ook voor transacties tussen bedrijfsonderdelen. En juist die transacties zijn erg geschikt om belasting te ontwijken.

Op zich is het begrijpelijk dat overheden hierover afspraken maken. Ze voorkomen niet alleen dubbele betalingen, maar ook dat bedrijven in sommige gevallen geen zin meer hebben om zich in het buitenland te vestigen. Nederland is er bij gebaat zoveel mogelijk bedrijven aan zich te binden, dit levert naast prestige, ook banen en belastinginkomsten op.

Stel je voor: een bedrijf dat in een land met hoge belastingtarieven is gevestigd, wil ook een vestiging in Nederland. Zonder regeling zou het dan, ook voor de vestiging in Nederland, de hoge tarieven van het thuisland moeten betalen.

Daarmee kan het dan moeilijker concurreren met lokale, Nederlandse bedrijven, voor welke de kosten lager zijn. En dat is niet eerlijk.

Zonder afspraken met de Belastingdienst zou een bedrijf als Nike mogelijk nooit naar Nederland komen. En zouden we hier dus banen en – een beetje – belasting mislopen. In hoeverre dat daadwerkelijk zo is, om hoeveel banen en belasting het gaat, is moeilijk in te schatten.

Belastingshoppen

Maar zoals naar voren komt uit de Paradise Papers zitten er ook nadelen aan de internationale belastingafspraken. Ze zorgen er namelijk voor dat bedrijven zoals Starbucks en Nike gaan belastingshoppen.

In dat geval creëren bedrijven een papieren werkelijkheid die weinig meer te maken heeft met bijvoorbeeld de verkoop van schoenen. Het vestigt zich dan alleen in een land omdat het daardoor gebruik kan maken van gunstige belastingafspraken, dat zijn die tax rulings.

Zo’n ruling doet niets anders dan “het geven van zekerheid vooraf (…) over de fiscale gevolgen van bepaalde internationale situaties”, beschrijft het ministerie van Financiën.

De Bermuda-constructie

Ook Nike heeft zichzelf in verschillende ondernemingen opgesplitst. De royalty’s-tak, die geld ontvangt van de andere ondernemingen binnen het concern voor het gebruik van de merknaam, zit op Bermuda. Dat land rekent geen belasting over royalty’s.

Het Europese hoofdkantoor in Nederland betaalt wel belasting over de winst van Nike. Maar de winst is wat overblijft van de omzet nadat je de kosten er vanaf trekt. Omdat je de royalty’s ook als kosten kunt zien, ook al betaalt Nike die kosten in feite aan zichzelf, blijft er in Nederland minder winst over. En hoeft het bedrijf dus al met al minder belasting te betalen.

De goedkeuring door de Belastingdienst

Nike of Starbucks of Procter & Gamble leggen een constructie als deze eerst voor aan de Belastingdienst. Samen kunnen ze bijvoorbeeld onderhandelen over wat een redelijke prijs is die de royalty’s-tak aan zijn eigen moederbedrijf rekent voor het gebruik van de merkrechten.

Een ruling-team van zo’n tachtig man in Rotterdam beslist uiteindelijk of de constructie volgens de regels is. In het geval van Nike was er niets aan de hand: de opzet via Bermuda is gewoon in lijn met de tax rulings.

Jaarlijks kunnen duizenden multinationals met goedkeuring van de Belastingdienst in Nederland een slimme belastingconstructie opzetten, blijkt uit een rondgang langs deskundigen. Uit een verslag van het ministerie van Financiën blijkt dat vorig jaar 59 van zulke constructies door de Belastingdienst zijn gecontroleerd. In drie gevallen werd de regeling beëindigd.

Bron: nos

Verrekening door de Ontvanger in faillissement

Twee vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting worden failliet verklaard. Na faillissement hebben zij beide recht op teruggave van omzetbelasting terzake van door de boedel betaalde facturen voor aan de boedel geleverde goederen en diensten.

Ook hebben zij beide op grond van art. 29 lid 1 Wet op de omzetbelasting (Wet OB) recht op teruggave van omzetbelasting terzake van facturen die vóór faillissementsdatum aan derden zijn uitgereikt, maar nadien oninbaar zijn gebleken. De Ontvanger stelde zich op het standpunt dat hij op grond van art. 24 Invorderingswet (Iw) bevoegd is om openstaande belastingschulden van de fiscale eenheid waartoe de vennootschappen behoren (en die voor faillissementsdatum waren ontstaan) te verrekenen met de teruggaven. In de procedure die vervolgens door de curatoren van de vennootschappen tegen de Ontvanger werd geëntameerd, stelde de rechtbank Overijssel op 5 april 2017 de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:

“I. Kan een aan de belastingschuldige als bedoeld in art. 24 lid 1, vierde volzin, Iw 1990 uit te betalen bedrag ter zake van omzetbelasting dat materieel verschuldigd is geworden nadat deze belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard, door de Ontvanger worden verrekend met een van deze belastingschuldige of van een andere maatschappij als bedoeld in art. 24 lid 1, vierde volzin, Iw 1990, te innen bedrag ter zake van rijksbelastingen dat materieel voor faillissement verschuldigd is geworden?

II. Kan een aan een belastingschuldige verleende teruggaaf omzetbelasting ex art. 29 lid 1 Wet OB die materieel is ontstaan nadat deze belastingschuldige in staat van faillissement is verklaard, door de Ontvanger op grond van artikel 53 lid 1 Fw worden verrekend met een belastingschuld van deze belastingschuldige die materieel is ontstaan voor faillissement?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

De Hoge Raad stelt bij zijn beantwoording de volgende twee overwegingen voorop.

(1) Art. 53 lid 1 Fw bepaalt dat degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is (het zogenaamde wederkerigheidsvereiste) bevoegd is om zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde te verrekenen, indien beide zijn ontstaan voor de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen die voor de faillietverklaring met de gefailleerde zijn verricht. Onder dat laatste is ook begrepen een vordering of schuld die voortvloeit uit een voor de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde.

(2) Verrekening van bestuursrechtelijke vorderingen en schulden geschiedt slechts voor zover in die bevoegdheid bij wettelijk voorschrift is voorzien (art. 4:93 lid 1 Awb). Art. 24 lid 1 Iw geeft de Ontvanger de bevoegdheid om in het kader van de invordering van onder meer rijksbelastingen te betalen en te innen bedragen te verrekenen. Daarbij is voor deze zaak van belang wat is bepaald in art. 24 lid 1, derde tot en met vijfde volzin, Iw. De Hoge Raad citeert:

“De artikelen 53 tot en met 55, 234, 235 en 307 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen welker verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing, ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij.”

Verrekening o.g.v. art. 24 lid 1 Iw niet mogelijk

De Hoge Raad komt vervolgens toe aan het beantwoorden van de eerste prejudiciële vraag. Die vraag stelt de situatie aan de orde waarin wel aan het wederkerigheidsvereiste is voldaan (op grond van de uitzondering van art. 24 lid 1 Iw voor vennootschappen die tot dezelfde fiscale eenheid behoren), maar niet aan het andere vereiste van art. 53 Fw, te weten dat de in de verrekening te betrekken schuld en vordering beide voor faillissementsdatum zijn ontstaan (of voortvloeien uit een met de gefailleerde verrichte handeling voor faillissementsdatum). Aan de orde was dus of aan dat laatste vereiste (ook) voorbij kon worden gegaan op grond van art. 24 lid 1 Iw. De Hoge Raad overweegt:

“3.4.3 Zoals volgt uit de tekst van art. 24 lid 1, vierde en vijfde volzin, Iw 1990 heeft het daar bepaalde uitsluitend betrekking op de voor verrekening geldende eis dat partijen wederkerig elkaars schuldenaar zijn; het bevat een uitzondering op die eis. Het behelst geen uitzondering op de hiervoor in 3.3.2 en 3.4.1 genoemde eis van art. 53 lid 1 Fw dat vordering en schuld beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit een vóór de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde. De parlementaire geschiedenis van art. 24 lid 1 Iw 1990 biedt geen steun voor de gedachte dat die uitzondering wel zou zijn beoogd (vgl. 5.16 en 5.20-5.29 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Genoemde eis van art. 53 lid 1 Fw geldt dus onverkort bij de verrekening op grond van art. 24 lid 1, vierde en vijfde volzin, Iw 1990”

De Ontvanger kan dus niet aan art. 24 lid 1 Iw de bevoegdheid ontlenen om een teruggave omzetbelasting die na faillissement is opgekomen te verrekenen met van voor faillissement daterende belastingschulden.

Verrekening o.g.v. art 29 lid 1 Wet OB wel mogelijk

De tweede prejudiciële vraag zag op de situatie waarin op grond van art. 29 lid 1 Wet OB recht op teruggaaf van eerder afgedragen omzetbelasting bestaat wegens na faillissement gebleken oninbaarheid van facturen die vóór faillissement aan derden zijn uitgereikt. Het gaat er daarbij, gelet op de vereisten van art. 53 Fw, dus om of de hiermee corresponderende schuld van de Ontvanger is ontstaan uit een voor het faillissement bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde. Als dat zo is, kan immers op grond van art. 24 lid 1, derde tot en met vijfde volzin Iw door de Ontvanger verrekend worden met een vóór faillissement ontstane vordering op de gefailleerde of op een maatschappij die een fiscale eenheid met de gefailleerde vormde. De Hoge Raad overweegt:

“3.5.2 Indien een ondernemer in de zin van art. 7 Wet OB de omzetbelasting die hij ter zake van een tegen vergoeding verrichte levering of dienst heeft gefactureerd, op aangifte voldoet, ontstaat een rechtsverhouding met de Ontvanger die ingevolge art. 29 lid 1 Wet OB meebrengt dat als nadien blijkt dat de vergoeding niet zal worden ontvangen, recht bestaat op teruggaaf van de voldane omzetbelasting. Indien vóór de faillietverklaring ter zake van een door de ondernemer gefactureerde vergoeding omzetbelasting is gefactureerd en ter zake daarvan omzetbelasting op aangifte is voldaan, en deze vergoeding ná de faillietverklaring oninbaar blijkt, vloeit de daaruit ingevolge art. 29 lid 1 Wet OB resulterende schuld van de Ontvanger derhalve voort uit een vóór de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde als bedoeld in art. 53 lid 1 Fw. Deze schuld kan dus op grond van art. 24 lid 1, derde tot en met vijfde volzin, Iw 1990 door de Ontvanger worden verrekend met een vóór de faillietverklaring ontstane vordering op de gefailleerde dan wel op een maatschappij die een fiscale eenheid met de gefailleerde vormde.”

De Ontvanger kan in deze situatie dus wel tot verrekening overgaan omdat de schuld van de Ontvanger – die na faillietverklaring is ontstaan omdat, toen facturen oninbaar bleken, voor de belastingplichtige ondernemer recht ontstond op teruggaaf van voldane omzetbelasting – voortvloeit uit een vóór faillissement bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde.

 

Bron: Cassatieblog

Hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd

De hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd. Dat staat in het conceptregeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, bevestigen bronnen aan de NOS.

De aftrek wordt in vier stappen van 3 procent beperkt tot het laagste belastingtarief. Dat tarief is nu 37 procent.

Honderden euro’s

Dat kan mensen met hogere inkomens, vanaf 68.000 euro, honderden euro’s per jaar schelen. Daar staat een voordeel door het verlagen van de inkomstenbelasting met ook honderden euro’s tegenover.

Ook wordt de flinke lastenverhoging voor huizenbezitters gecompenseerd door het eigenwoningforfait – een heffing voor woningbezitters die is gebaseerd op de WOZ-waarde – te verlagen.

Gaat de versnelde afbouw in per 1 januari 2020, dan wordt het streeftarief van 37 procent bereikt in 2023.

Hoe kan de verlaging er uit gaan zien?

2018: verlaging met 0,5 procentpunt tot 49,5 procent
2019: verlaging met 0,5 tot 49 procent
2020: verlaging met 3 tot 46 procent 
2021: verlaging met 3 tot 43 procent
2022: verlaging met 3 tot 40 procent
2023: verlaging met 3 tot 37 procent

De president van De Nederlandsche Bank, Klaas Knot, pleit al jaren voor een versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Hij zegt dat de woningmarkt hierdoor stabieler wordt. Hij vindt het verstandig de afbouw door te voeren nu de rente extreem laag staat. Dan hebben huizenbezitters er het minst last van.

In totaal kost de hypotheekrenteaftrek de schatkist 11 tot 12 miljard euro per jaar aan belastingteruggaven voor alle huizenbezitters.

Het ‘h-woord’

Decennialang gold de aftrek, in feite een subsidie op huizenbezit, als onaantastbaar in de politiek. Slechts weinig partijen durfden het ‘h-woord’ in hun programma op te nemen. Sinds de financiële crisis en de bijbehorende malaise op de huizenmarkt is het denken echter veranderd.

De hypotheekrenteaftrek wordt sinds januari 2014 elk jaar met 0,5 procentpunt afgebouwd. Daardoor is de maximale aftrek intussen gedaald van 52 procent naar 50 procent. Die daling wordt nu dus versneld doorgezet.

In plaats van in het jaar 2042 wordt het streeftarief bijna twintig jaar eerder bereikt. Geen ander Europees land kent een vergelijkbare een regeling, waarbij huizenbezitters alle betaalde hypotheekrente van hun inkomen mogen aftrekken.

Bron: nos

Belastingstelsel bedrijven radicaal op de schop in Rutte III

Het belastingstelsel voor bedrijven in Nederland gaat op de schop. Het nieuwe kabinet wil door fiscale prikkels bedrijven stimuleren om ‘groener’ te produceren en schulden af te bouwen. Ook moet Nederland aantrekkelijker worden voor buitenlandse bedrijven.

Door de nieuwe belastingmaatregelen zullen de lasten voor bedrijven onder de streep omhooggaan. Hoeveel is afhankelijk van de sector en het gedrag van het bedrijf.

Minder belasting

Het nieuwe kabinet wil dat buitenlandse bedrijven zich in Nederland vestigen. Om ze te lokken gaat de winstbelasting omlaag: van 25 naar 21 procent. Het lage tarief voor de eerste 200.000 euro aan winst gaat ook omlaag: van 20 naar 16 procent.

Ook de dividendbelasting wordt afgeschaft, waar vooral buitenlandse bedrijven voordeel van hebben.

Maar niet alle buitenlandse bedrijven krijgen een warm welkom van het nieuwe kabinet. Brievenbusfirma’s worden hard aangepakt, zo is de ambitie. Voor hen komt er een extra belasting op royalty’s en rente.

Het bonusbeleid dat in het kabinet-Rutte II is ingevoerd, blijft gehandhaafd.

Schulden duurder

Om bedrijven te ontmoedigen om schulden op te bouwen gaat de schuldenaftrek omlaag. Net als de particulieren met een hypotheek hebben veel bedrijven enorme schulden.

Het afbouwen van de schuldenaftrek moet voorkomen dat investeringsmaatschappijen bedrijven opkopen om vervolgens vol te hangen met schulden.

Vervuiler betaalt

Het nieuwe kabinet wil bedrijven stimuleren zo groen mogelijk te produceren. Zo komt er een CO2-belasting: hoe meer je uitstoot, hoe meer je betaalt, maar dat geldt niet voor alle bedrijven. Verder gaat ook de energiebelasting omhoog en komt er een kilometerheffing voor vrachtverkeer.

Veruit de meeste van deze maatregelen moeten in 2019 ingaan.

Bron: nos

Nieuw kabinet maakt einde aan dividendbelasting

Het nieuwe kabinet maakt een einde aan de dividendbelasting. Dat is vooral gunstig voor buitenlandse bedrijven – en dat is ook de bedoeling. Het nieuwe kabinet wil het aantrekkelijker maken voor buitenlandse bedrijven om zich hier te vestigen. Voor Nederlandse bedrijven bespaart het vooral een hoop administratieve rompslomp.

Het afschaffen van de dividendbelasting kost de overheid jaarlijks 1,4 miljard euro en moet in 2019 ingaan. Dit bedrag zal gecompenseerd worden door andere maatregelen die het kabinet voor bedrijven in petto heeft.

Voor de duidelijkheid: bedrijven in Nederland krijgen er dus geen geld bij door de afschaffing. In plaats van dat ze een deel van het dividend dat ze uitkeren aan de belastingdienst betalen (die dat dan later weer deels teruggeeft aan de Nederlandse aandeelhouders via hun aangifte), kunnen ze het volledige bedrag direct aan de aandeelhouder geven. Dat scheelt een hoop administratief gedoe.

Alle partijen die geen belasting hoeven te betalen in Nederland, en dus ook de eerder nog ingehouden belasting niet konden terugkrijgen door die te verrekenen met hun aangifte, houden wel iets meer geld over. Dat zijn bijvoorbeeld buitenlandse bedrijven. Want omdat bedrijven geen belasting meer hoeven te betalen over het dividend kunnen ze de aandeelhouders gewoon meer uitkeren.

En dat is ook een bijkomend voordeel voor Nederlandse bedrijven. Voor buitenlandse partijen wordt het hierdoor namelijk aantrekkelijker om in Nederlandse bedrijven te investeren. Ook zullen aandeelhouders van een buitenlands bedrijf er minder op tegen hebben als het zich in Nederland wil vestigen.

Critici willen al langer dat er een einde komt aan dividendbelasting, omdat het goed zou zijn voor onze economie en voor een uitnodigend vestigingsklimaat. Maar uiteindelijk zijn de enigen die hier een financieel voordeel van hebben partijen die niet belastingplichtig zijn in Nederland, zegt fiscalist Wilbert Wolters. “Dat zijn bijvoorbeeld stichtingen, VBI’s, de overheid en buitenlandse partijen.”

Net als loonbelasting een voorheffing op je inkomstenbelasting is, is dividendbelasting een voorheffing op de eindbelasting van bv’s in Nederland, legt Wolters uit. Zoveel financieel voordeel heeft de afschaffing dus niet. “Wel heeft het een enorm administratief voordeel voor Nederlandse bedrijven.”

Het afschaffen van de dividendbelasting is onderdeel van een groter pakket aan belastingmaatregelen voor bedrijven. Onder de streep hebben bedrijven te maken met een lichte lastenverhoging.

Bron: nos

Hypotheekrenteaftrek wordt versneld afgebouwd

De hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd. Dat staat in het conceptregeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, bevestigen bronnen aan de NOS.

De aftrek wordt in vier stappen van 3 procent beperkt tot het laagste belastingtarief. Dat tarief is nu 37 procent.

Honderden euro’s

Dat kan mensen met hogere inkomens, vanaf 68.000 euro, honderden euro’s per jaar schelen. Daar staat een voordeel door het verlagen van de inkomstenbelasting met ook honderden euro’s tegenover.

Ook wordt de flinke lastenverhoging voor huizenbezitters gecompenseerd door het eigenwoningforfait – een heffing voor woningbezitters die is gebaseerd op de WOZ-waarde – te verlagen.

Gaat de versnelde afbouw in per 1 januari 2020, dan wordt het streeftarief van 37 procent bereikt in 2023.

Hoe kan de verlaging er uit gaan zien?

2018: verlaging met 0,5 procentpunt tot 49,5 procent
2019: verlaging met 0,5 tot 49 procent
2020: verlaging met 3 tot 46 procent 
2021: verlaging met 3 tot 43 procent
2022: verlaging met 3 tot 40 procent
2023: verlaging met 3 tot 37 procent

 

De president van De Nederlandsche Bank, Klaas Knot, pleit al jaren voor een versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek. Hij zegt dat de woningmarkt hierdoor stabieler wordt. Hij vindt het verstandig de afbouw door te voeren nu de rente extreem laag staat. Dan hebben huizenbezitters er het minst last van.

In totaal kost de hypotheekrenteaftrek de schatkist 11 tot 12 miljard euro per jaar aan belastingteruggaven voor alle huizenbezitters.

Het ‘h-woord’

Decennialang gold de aftrek, in feite een subsidie op huizenbezit, als onaantastbaar in de politiek. Slechts weinig partijen durfden het ‘h-woord’ in hun programma op te nemen. Sinds de financiële crisis en de bijbehorende malaise op de huizenmarkt is het denken echter veranderd.

De hypotheekrenteaftrek wordt sinds januari 2014 elk jaar met 0,5 procentpunt afgebouwd. Daardoor is de maximale aftrek intussen gedaald van 52 procent naar 50 procent. Die daling wordt nu dus versneld doorgezet.

In plaats van in het jaar 2042 wordt het streeftarief bijna twintig jaar eerder bereikt. Geen ander Europees land kent een vergelijkbare een regeling, waarbij huizenbezitters alle betaalde hypotheekrente van hun inkomen mogen aftrekken.

Bron: nos

Winstbelasting bedrijven gaat omlaag, 3 miljard minder belasting

De winstbelasting die bedrijven betalen gaat omlaag. Bronnen bevestigen de berichtgeving hierover van RTL Nieuws. De coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie trekt daar 3 miljard voor uit.

Nv’s en bv’s betalen vennootschapsbelasting over de winst die zij maken. Er is een mkb-tarief voor winstbedragen tot 200.000 euro van 20 procent. Dat gaat omlaag naar 16 procent. Voor hogere winsten is het tarief 25 procent. Dat tarief gaat naar 21 procent.

Race tussen landen

Staatssecretaris Wiebes gaf al aan dat deze tarieven omlaag zouden moeten, om Nederland concurrerend te houden als vestigingsland voor ondernemingen. Maar VVD en PvdA werden het er niet over eens.

De werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland zeggen in een eerste reactie blij te zijn met de stap: “Een verlaging van de vennootschapsbelasting zou een beweging in de goede richting zijn om als Nederland aantrekkelijk te blijven, gelet op alles wat internationaal gaande is. Dit is voor het midden- en kleinbedrijf ook erg goed, we pleiten hier al langer voor.”

De werkgevers zijn wel benieuwd of er ook belastingverhogingen tegenover deze verlaging staan. “Vanzelfsprekend moeten we straks nog wel de eindbalans van het hele regeerakkoord opmaken.”

Diverse Europese landen, maar ook de VS, hebben plannen voor het verlagen van de winstbelasting. Ze hopen extra bedrijven aan te trekken, of op zijn minst te voorkomen dat ze om fiscale redenen vertrekken naar het buitenland.

Bron: nos

Wat we nog niet wisten over de belastingplannen voor 2018

Van de belastingplannen die het demissionaire kabinet op Prinsjesdag presenteerde was het meeste al bekend, maar er zijn ook een paar opvallende nieuwe maatregelen.

Zoals het voornemen om schenkbelasting te gaan heffen bij een herverdeling van bezit door het veranderen van de huwelijkse voorwaarden. Dit geldt ook bij het wijzigen van de eigendomsverdeling in een geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract.

Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een huis waarvan beide partners voor de helft eigenaar zijn via een contractwijziging voor 80 procent op naam van één partner komt te staan. De Belastingdienst kan dat zien als een schenking en ook zo gaan belasten.

Misbruik

Ook als een partner bij een huwelijk meer dan de helft van het gezamenlijke vermogen krijgt, terwijl die daarvoor minder dan de helft had, kan dat vanaf volgend jaar belast worden als schenking, maar dan moeten er wel aanwijzingen zijn voor misbruik van de regels.

Een voorbeeld daarvan is als iemand die rijk is trouwt met een niet-vermogende partner en na een week weer scheidt. De minder vermogende partner krijgt na de scheiding een deel van het vermogen onbelast mee. Maar het is straks aan de belastinginspecteur om te bewijzen wat een verkapte schenking is.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van Financiën kijkt de Belastingdienst elk jaar hoe belasting kan worden omzeild en waar de wet moet worden aangepast. Dat is hier het geval: “Een huwelijk of samenleven mag niet gebruikt worden om belasting te ontduiken.”

Dwang

Nieuw is ook de aankondiging dat bezwaar tegen een dwanginvordering van de Belastingdienst vanaf volgend jaar niet meer tot uitstel van betaling leidt. En de kansspelbelasting gaat tijdelijk, waarschijnlijk voor een jaar, met 1,1 procentpunt omhoog naar 30,1 procent.

Coöperaties

Een ander belangrijk wetsvoorstel, dat overigens wel al bekend was, is de aanpak van het gebruik van coöperaties om belasting te omzeilen. Bij een coöperatie is een dividenduitkering tot nu toe niet belast. Daar wordt bijvoorbeeld gebruik van gemaakt in internationale constructies.

Zo kan geld onbelast worden uitgekeerd door een coöperatie aan een vennootschap of particulier in een ander land. Vanaf volgend jaar kan dat niet meer. De vrijstelling was ooit bedoeld om boerencoöperaties vrij te stellen van dividendbelasting en dat blijft zo.

Opvallend

Arjo van Eijsden van accountantsbureau EY denkt dat het belastingplan nog nooit zo klein en beperkt is geweest als dit jaar. Hij noemt het verder opvallend dat er veel reparaties in zitten naar aanleiding van uitspraken van de Hoge Raad.

Bron: nos