25%-tarief in box 2 in 2014 naar 22%

Zoals bekend, komt onze regering erg veel geld tekort. Om snel aan geld te komen heeft men een reeds eerder beproefde maatregel voor 2014 nieuw leven ingeblazen. In 2007 is het tarief in box 2 van 25% eenmalig verlaagd naar 22% en dat heeft toen geleid tot een aardig bedrag voor de schatkist. Veel DGA’s hebben toen namelijk grote bedragen aan zich zelf als dividend uitgekeerd.

Het huidige tarief in box 2 van 25% weerhoudt veel DGA’s ervan de winstreserves van hun BV’s als dividend uit te keren. Belastingheffing wordt daardoor vaak vele tientallen jaren uitgesteld. Door het tarief tijdelijk te verlagen wordt het aantrekkelijker om de dividenduitkering naar voren te halen, waardoor op korte termijn meer belastinginkomsten worden gegenereerd. Onze regering heeft uitgerekend dat het voor hen beter is om nu 22% te ontvangen dan ergens in de toekomst mogelijk 25%.

Er is nog een voordeel voor de schatkist en dat is dat jaarlijks een hoger vermogen in box 3 kan worden belast bij de DGA’s die dividend hebben ontvangen.

Toch is het zeer de vraag of de staat zich niet rijker rekent dan ze is. Sedert 2007 is de Belastingdienst op oorlogspad gegaan tegen DGA’s die te veel dividend onttrekken aan hun BV’s en dreigt met een heffing van 72% over de in de BV’s opgebouwde pensioenvoorzieningen in eigen beheer. Men stelt dan dat de pensioen volledig zijn afgekocht en dat leidt dan tot een heffing van maximaal 52% belasting plus 20% revisierente (samen dus 72%) over de waarde van de pensioenen. Daarbij gaat de fiscus niet uit van de fiscale waarde van die voorzieningen, maar van de werkelijke waarde. Die werkelijke waarde is vaak het dubbele van de fiscale voorziening, zoals deze op de balans is vermeld. Omdat DGA’s met een pensioen in eigen beheer extra voorzichtig zullen moeten zijn bij het uitkeren van dividenden, zal de verwachte opbrengst voor de staat zeer waarschijnlijk tegen gaan vallen.

Het is overigens ook nog de vraag of de DGA’s het zich kunnen veroorloven een offer van 22% aan liquide middelen te brengen in deze moeilijke tijden.

Bron: Actuele artikelen

Huwelijkse voorwaarden en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid

Verhouding tussen de uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden en toepassing van beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Oordeel hof, dat beperkende werking van redelijkheid en billijkheid leidt tot verrekenplicht van de man op grond van artikel 1:141 lid 4 BW, in casu onvoldoende gemotiveerd. Hof heeft met aanname verrekenplicht ten laste van de man bovendien de grenzen van de rechtsstrijd in appel miskend.

Alhoewel huwelijkse voorwaarden als een overeenkomst kunnen worden aangemerkt, zodat daarop ook de beginselen van redelijkheid en billijkheid toepasselijk zijn, wordt in het algemeen aangenomen dat ten aanzien van die toepassing (nog meer dan ten aanzien van ‘gewone’ overeenkomsten)  terughoudendheid passend is. Dat houdt onder meer verband met de goederenrechtelijke effecten van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Dat neemt niet weg dat de toepasselijkheid van redelijkheid en billijkheid op huwelijkse voorwaarden in de jurisprudentie van de Hoge Raad is aanvaard. Zo kan een op grond van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel door de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid terzijde worden gesteld. Zie in dit verband bijv. HR 18 juni 2004, NJ 2004/399.

In het onderhavige geval bevatten de huwelijkse voorwaarden van partijen een verrekenbeding, op grond waarvan zij jaarlijks gehouden waren tot verrekening van hun inkomen, niet zijnde zuivere inkomsten uit vermogen. Terzake het begrip ‘inkomen’ verwezen de huwelijkse voorwaarden naar het begrip ‘belastbaar inkomen’ als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De vrouw heeft in rechte afwikkeling van het verrekenbeding verzocht. In eerste aanleg legde de rechter – in het voordeel van de vrouw – het verrekending aldus uit, dat ook opgepotte winst uit de onderneming van de man onder het inkomensbegrip moet worden begrepen. Dit is van belang in verband met artikel 1:141 lid 4 BW. Op grond van die bepaling dienen opgepotte winsten in de afwikkeling van een verrekenbeding te worden betrokken, mits (i) de echtgenoot die de onderneming uitoefent overwegende zeggenschap heeft over de uitkering van winsten van de niet op eigen naam uitgeoefende onderneming, (ii) het verrekenbeding inderdaad ondernemingswinsten omvat en (iii) voor zover zodanige verrekening in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd.

In het door de man geëntameerde appel bleef de ruime uitleg die de rechtbank aan het verrekenbeding had gegeven niet in stand. Volgens het hof ziet het verrekenbeding niet op winst uit de B.V. van de man. Niettemin meende het hof dat verrekening als bepaald in artikel 1:141 lid 4 BW dient plaats te vinden, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de man niet zou hoeven afrekenen conform de wens van de vrouw. Deze wens van de vrouw behelsde een vruchtgebruikconstructie, waarbij het rendement over het bedrag dat als uitkeerbare winst wordt vastgesteld aan de vrouw wordt uitgekeerd en het vermogen overigens beschikbaar blijft voor de B.V. van de man.

In cassatie klaagde de man er allereerst over dat het hof via toepassing van derogerende werking van redelijkheid en billijkheid is uitgekomen op een resultaat – verrekening van opgepotte winsten – dat haaks staat op de – door het hof zelf via uitleg van het verrekenbeding vastgestelde – partijbedoeling, te weten dat zij juist niet hebben willen voorzien in zodanige verrekening. Het middel sloot hiermee aan bij de voor het algemene overeenkomstenrecht verdedigde opvatting van Valk dat, kort gezegd, toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid niet mag leiden tot ‘denaturering’ van de gesloten overeenkomst. Zie de genoemde auteur in: Rechtshandeling en Overeenkomst, 2013, nr. 278. Te wijzen valt in dit verband op jurisprudentie van de Hoge Raad , waaruit volgt dat met een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet kan worden bewerkstelligd dat algemene voorwaarden die in de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing zijn, alsnog toepasselijk worden (HR 6 februari 2004, NJ 2004/349), of dat de dekking van een verzekeringspolis wordt uitgebreid tot buiten de primaire dekkingsomschrijving (HR 9 juni 2006, NJ 2006/326).

De Hoge Raad vertaalt deze klacht aldus, dat daarmee is betoogd dat het hof onvoldoende terughoudendheid heeft betracht en zijn eigen redelijkheidsoordeel in de plaats heeft gesteld van de huwelijkse voorwaarden. Dié klacht kan naar de Hoge Raad meent niet tot cassatie leiden. Volgens de Hoge Raad moet het oordeel van het hof aldus worden verstaan dat het, gelet op de omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar is dat partijen afrekenen op de voet van het overeengekomen verrekenbeding  en dat daarom verrekening als bepaald in artikel 1:141 lid 4 BW dient plaats te vinden. Zie: rov. 3.6.

Met de man meent de Hoge Raad echter wel dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden een onvoldoende motivering vormen voor het oordeel van het hof dat toepassing  van het tussen partijen overeengekomen verrekenbeding op basis van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die omstandigheden hielden, kort gezegd, in: (a) dat de vrouw beschikte over een vergunning, waarmee het voor de man mogelijk was om zijn onderneming te drijven, (b) dat de man zich tijdens het huwelijk een relatief laag salaris had laten uitkeren en (c) dat de kosten van de huishouding weliswaar werden voldaan uit de opbrengst van de vastgoedportefeuille van de man in privé, maar dat het surplus van die inkomsten nooit aan de vrouw ten goede is gekomen. De Hoge Raad overweegt in dit verband:

“3.8 (…) Wat betreft de omstandigheid onder (a) betoogt onderdeel 4.7 met juistheid dat het feit dat het vermogen van een echtgenoot (mede) door de arbeidsinspanning van de andere echtgenoot is toegenomen, onvoldoende is om het overeengekomen huwelijksgoederenregime op grond van de redelijkheid en billijkheid te doorbreken (vgl. HR 11 april 1986, NJ 1986/622 en HR 25 november 1988, NJ 1989/529), en dat dit eens temeer geldt in geval als het onderhavige waarin vaststaat dat de vrouw voor haar werkzaamheden in de onderneming van de man salaris heeft ontvangen.

Wat betreft de omstandigheid onder (b), is de klacht van onderdeel 4.6 gegrond dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat het door de man ontvangen salaris van € 89.000,- onder de gegeven omstandigheden, mede gelet op de daarop door de belastingadviseur gegeven toelichting, als onredelijk laag moet worden beschouwd.

Tenslotte geldt met betrekking tot omstandigheid (c) dat niet valt in te zien dat het feit dat de inkomsten uit verhuur van het privé onroerend goed van de man ten dele (onverplicht) werden aangewend voor de kosten van de huishouding, maar voor het overige niet aan de vrouw ten goede zijn gekomen (dit laatste overeenkomstig hetgeen in de huwelijkse voorwaarden was overeengekomen) kan bijdragen aan het oordeel dat verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

De Hoge Raad meende bovendien – met de man – dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door de man te verplichten tot verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 4 BW, terwijl hetgeen de vrouw in dit verband had verzocht – zie de hiervoor besproken vruchtgebruikconstructie – een minder vergaande strekking had.

Bron: Cassatieblog

Afwijkende verdeling huwelijksgoederengemeenschap slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden

Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel kan slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap.

Het gaat in deze zaak om de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Centraal staat de vraag of onder de gegeven omstandigheden uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat van het uitgangspunt van een verdeling bij helfte moet worden afgeweken.

Het oordeel van het hof

De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap ten onrechte een aantal schulden niet in aanmerking heeft genomen, waaronder een naheffingsaanslag omzetbelasting. Het hof heeft vastgesteld dat de naheffingsaanslag bestaat uit vier onderdelen (a tot en met d). Van de schuld aan de belastingdienst is een gedeelte, betrekking hebbend op de schulden (a) en (b), weliswaar in de gemeenschap gevallen, maar dit gedeelte dient volgens het hof geheel door de man te worden gedragen. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“2.5 (…) De schulden (a) en (b) zijn ontstaan voor 18 januari 2007 en zijn wel in de gemeenschap gevallen. Het hof is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [de man] deze schulden alsmede de daarover verschuldigde heffingsrente geheel moet dragen, nu hij [de vrouw] niet heeft betrokken bij de discussie en de overleggen met de belastingdienst over de aangiften omzetbelasting over de jaren 2005 en 2006 en evenmin bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die hij op 1 november 2008 met de belastingdienst heeft gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag zal worden opgelegd.”

Het oordeel van de Hoge Raad

In cassatie klaagt de man dat het hof aldus een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het toepassen van een uitzondering op de regel dat verdeling van de gemeenschap bij helfte dient plaats te vinden, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

Bij de beoordeling van de klacht stelt de Hoge Raad voorop dat de echtgenoten ingevolge art. 1:100 BW een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel kan volgens de Hoge Raad slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, NJ 2012/407).

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de man de vrouw niet heeft betrokken bij het overleg met de belastingdienst en evenmin bij het totstandkomen van de vaststellingsovereenkomst, niet zonder meer voldoende is om een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan te nemen.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof met zijn oordeel daarom hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar een ander hof.

Conclusie A-G Keus

Het oordeel van de Hoge Raad is conform de conclusie van A-G Keus. In sub 2.16-2.17 geeft hij een overzicht van rechtspraak waarin afwijking van het uitgangspunt van verdeling bij helfte wél (HR 7 december 1990, NJ 1991, 593 en  HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749) respectievelijk niet (HR 6 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7362 en HR 27 juni 2003,ECLI:NL:HR:2003:AF7541) werd aangenomen. Gelet op deze rechtspraak meent A-G Keus dat de door het hof genoemde omstandigheid dat de vrouw niet bij het overleg met de belastingdienst en de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst was betrokken, niet (althans niet zonder meer) voldoende is om een zeer uitzonderlijk geval zoals in die rechtspraak bedoeld, aan te nemen. Daarbij acht hij van belang dat het hof niet heeft vastgesteld dat betrokkenheid van de vrouw bij dit een en ander tot een zodanig andere uitkomst van het overleg met de belastingdienst zou hebben geleid, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich jegens de vrouw op een verdeling bij helfte van de ontbonden huwelijksgemeenschap beroept.

 

Bron: Cassatieblog

Wetsvoorstel verruiming aansprakelijkheid ouders van minderjarigen aangehouden

De Eerste Kamer heeft op 24 september 2013 na een plenair debat de behandeling van een wetsvoorstel voor de verruiming van de aansprakelijkheid van ouders van minderjarigen aangehouden. In het debat voerde namens de initiatiefnemers Tweede Kamerlid Oskam (CDA) het woord; namens de regering staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie. Het wetsvoorstel wil ouders en voogden risicoaansprakelijk maken voor fouten van minderjarige kinderen vanaf 14 jaar. De schadevergoeding die de ouders aan de benadeelde betalen, kunnen zij vervolgens verhalen op hun kind dat de schade heeft veroorzaakt.

Onder de huidige wetgeving bestaat deze risicoaansprakelijkheid van ouders/voogden alleen voor minderjarigen tot 14 jaar. Vanaf die leeftijd zijn ouders – naast het kind -medeaansprakelijk, tenzij zij kunnen aantonen dat hen geen verwijt treft. Bij de schadeveroorzakende minderjarige is echter vaak onvoldoende vermogen beschikbaar om de schade van de benadeelde te vergoeden. Worden ouders ook aansprakelijk voor de fouten van hun oudere kinderen, dan heeft de benadeelde meer kans zijn schade vergoed te krijgen.

In het debat in de Eerste Kamer maakten een aantal woordvoerders bezwaar tegen het feit dat de ‘vrijpleitmogelijkheid’ van ouders in het initiatiefwetsvoorstel geheel komt te vervallen. Ook sprak de Eerste Kamer over de verzekerbaarheid van de algehele risicoaansprakelijkheid van ouders van minderjarigen.

Initiatiefnemer Oskam gaf aan het eind van zijn beantwoording aan dat hij zich naar aanleiding van de in de Eerste Kamer geuite bezwaren zal herbezinnen op het wetsvoorstel. Hij zal de Kamer in een brief informeren over de uitkomst hiervan. De Eerste Kamer besloot in afwachting van deze brief de behandeling van het wetsvoorstel aan te houden.

Risicoaansprakelijkheid van ouders

Senator Franken (CDA) merkte op dat een algehele risicoaansprakelijkheid voor ouders in het verleden onaanvaardbaar werd geacht. Ouders konden niet geacht worden een kind van deze leeftijd onder permanent intensief toezicht te houden en het risico dat een 14/15 jarige een vermogens- of geweldsdelict pleegt wel verzekerbaar moest blijven. Dit eerste punt geldt volgens de senator nog steeds, maar voor de verzekerbaarheid verwacht hij geen grote belemmeringen. Senator Franken vroeg of er ten aanzien van de aansprakelijkheid van ouders onderling bij groepscriminaliteit ongelijkheid zal ontstaan in de bijdragen aan de schadevergoeding. Initiatiefnemer Oskam antwoordde ten aanzien van dit laatste punt dat hij hier geen problemen verwacht.

Senator Beuving (PvdA) uitte bezwaar tegen het feit dat de vrijpleitmogelijkheid van ouders geheel komt te vervallen, ook als hen niets te verwijten valt. Verder gaf Beuving aan dat het mogelijk is dat verzekeraars niet langer de schade dekken die opzettelijk is veroorzaakt is door kinderen. Beuving is sterk voorstander van een – aangescherpte – vrijpleitmogelijkheid voor ouders. Bovendien merkte de senator op dat het uiteindelijk aankomt op de verzekerbaarheid. Senator Beuving vroeg of ouders die wel verwijtbaar hebben gehandeld niet méér zouden moeten bijdragen dan ouders die niets te verwijten valt. Ook stelde zij dat verzekeraars nooit schade zullen dekken die een 17-jarige opzettelijk heeft veroorzaakt.

Initiatiefnemer Oskam gaf aan dat hij niets in ziet in een aangescherpte vrijpleitmogelijkheid, aangezien dit altijd een subjectief oordeel over de betrokkenheid van de ouders met zich brengt. Bovendien zijn er dan nog steeds gevallen waarbij de benadeelde met de schade blijft zitten.

Ook senator Duthler (VVD) haalde aan dat de risicoaansprakelijkheid van ouders wellicht niet verzekerbaar is, waardoor de benadeelde alsnog met de schade blijft zitten. De senator vroeg hoe de indiener denkt over een waarborgfonds dat benadeelden compenseert wanneer het daders en/of ouders aan financiële middelen ontbreekt.

Staatssecretaris Teeven merkte op dat de regering voor letselschade door middel van het Schadefonds Geweldsmisdrijven een speciale verantwoordelijkheid neemt. Dit geldt echter niet voor schade aan goederen, want daar kunnen particulieren zich voor verzekeren. Teeven stelde dat de regering het doel van het wetsvoorstel – ervoor zorgen dat benadeelden voor hun schade worden gecompenseerd – nadrukkelijk onderschrijft.

Senator Scholten (D66) merkte op dat er geen concrete cijfers zijn over de schade die minderjarigen veroorzaken. Zij stelde verder dat het wetsvoorstel direct effect heeft op de financiële situatie van ouders en dat het de vraag is of verzekeraars de verruimde risicoaansprakelijkheid gaan dekken. Bij dit laatste punt stelde Scholten dat een eventuele wijziging van de polisvoorwaarden kan leiden tot opzegging van de verzekering.

Senator De Boer (GroenLinks) gaf aan dat zij onvoldoende rechtvaardiging ziet om ouders aan wie geen enkel verwijt kan worden gemaakt, risicoaansprakelijk te maken. Ook zij vroeg naar de implicaties van een eventuele niet-verzekerbare aansprakelijkheid van ouders. De Boer: “Het is niet ondenkbaar dat gezinnen ten gevolge van een letselschadeclaim hun huis zullen moeten verkopen.” Zowel senator De Boer als senator Quik-Schuijt (SP) vroegen hoeveel schade er jaarlijks door minderjarigen wordt berokkend.

Volgens de initiatiefnemer valt het wetsvoorstel onder de huidige dekking van de Aansprakelijkheid Verzekering Particulieren. Het is volgens Oskam niet met zekerheid te zeggen of verzekeraars dit in de toekomst gaan uitsluiten of dat zij hun premie gaan verhogen. Volgens de initiatiefnemer is het weliswaar ‘zuur’ voor ouders dat zij ook de schade moeten vergoeden als hen niets te verwijten valt. Maar het is nóg zuurder dat een slachtoffer de schade niet vergoed krijgt omdat een minderjarige de schadevergoeding niet op kan brengen. Verder merkte de initiatiefnemer op dat ouders onder het wetsvoorstel ook aansprakelijk worden voor onopzettelijk toegebrachte schade.

De vernieler betaalt

Senator Holdijk(SGP) achtte de doelstelling van het voorstel sympathiek. Holdijk: “Wie zou niet het motto ‘de vernieler betaalt’ omarmen?” Senator Holdijk gaf echter aan terughoudend te zijn bij het opleggen van risicoaansprakelijkheid voor ouders, aangezien dit er in de praktijk toe leidt dat niet ‘de vernieler’ maar de ouders betalen. Het is dan de vraag of dit een preventieve werking heeft voor de minderjarige. Bovendien is het volledig schrappen van de vrijpleitmogelijkheid volgens Holdijk te ongenuanceerd.

Senator Reynaers (PVV) onderstreepte het belang van de benadeelde om ook daadwerkelijk de schade vergoed te krijgen en achtte het rechtvaardig dat ouders aansprakelijk kunnen worden gesteld, naast de minderjarige van 14 jaar of ouder. Reynaers stelde dat het goed is om de keuze voor het al dan niet verhalen van de schade op het kind, aan ouders te laten.

Senator Quik-Schuijt (SP) gaf aan dat zij begrip heeft voor het doel van het wetsvoorstel maar dat zij meer waarde hecht aan preventief beleid. Quik-Schuijt vroeg hoe rechtvaardig het is dat er een risicoaansprakelijkheid wordt opgelegd aan ouders terwijl zij vaak niet in staat zijn om controle uit te oefenen op hun kinderen. Volgens de senator stelt het wetsvoorstel de verhouding tussen ouders en kinderen op scherp.

Initiatiefnemer Oskam stelde dat ook als de ouders aansprakelijk worden gesteld, er een indirecte preventieve werking is voor jongeren. Dit is echter geen doel op zich. Het gaat om de principiële vraag: “laten we de benadeelde zitten met de schade of laten we dit door de ouders vergoeden?” Staatssecretaris Teeven gaf aan dat de regering het wetsvoorstel ziet het als goede aanvulling op het adolescentenstrafrecht, mede vanwege de preventieve werking die er van uit gaat.

Bron: Eerste Kamer

Weekers wil meer evenwichtige stimulering van (semi-)elektrische auto’s

Staatssecretaris Weekers van Financiën zal een dezer dagen een brief naar de Tweede Kamer sturen waarin hij een aantal maatregelen zal presenteren om te komen tot een meer evenwichtige vorm van stimulering van (semi-)elektrische auto’s. Dit antwoordt Weekers op vragen van de Tweede Kamerleden Omtzigt, De Rouwe en Mulder (allen CDA).

De aanschaf van elektrische auto’s door ondernemers wordt nu fiscaal gestimuleerd doordat gebruik kan worden gemaakt van 0% BPM, kleinschaligheidsaftrek (KIA), milieuinvesteringsaftrek (MIA) en Vamil (willekeurige afschrijving voor milieubedrijfsmiddelen).

Het voordeel van de MIA, KIA en Vamil kan bij een ondernemer die in 2013 een Mitsubishi Outlander PHEV aanschaft oplopen tot maximaal 31,6% van de aanschafprijs. Bij aanschaf van een vergelijkbare auto in de 14%-bijtellingcategorie ligt dit voordeel lager, namelijk op 18,6% van de aanschafprijs. 

Daarnaast heeft de bestuurder van een (semi-)elektrische auto van de zaak waarvan het kenteken dit jaar voor het eerst op naam is gesteld (0%-bijtelling) een voordeel van 14% bruto ten opzichte van de bestuurder van een zeer zuinige auto van de zaak (14%-bijtelling).

Bron: Pleinplus

Weekerswilmeerevenwichtigestimuleringvan(semi-)elektrischeauto’s

<p><strong>Staatssecretaris Weekers van Financi&euml;n zal een dezer dagen een brief naar de Tweede Kamer sturen waarin hij een aantal maatregelen zal presenteren om te komen tot een meer evenwichtige vorm van stimulering van (semi-)elektrische auto's. Dit antwoordt Weekers op vragen van de Tweede Kamerleden Omtzigt, De Rouwe en Mulder (allen CDA).</strong></p>
<p>De aanschaf van elektrische auto's door ondernemers wordt nu fiscaal gestimuleerd doordat gebruik kan worden gemaakt van 0% BPM, kleinschaligheidsaftrek (KIA), milieuinvesteringsaftrek (MIA) en Vamil (willekeurige afschrijving voor milieubedrijfsmiddelen).</p>
<p>Het voordeel van de MIA, KIA en Vamil kan bij een ondernemer die in 2013 een Mitsubishi Outlander PHEV aanschaft oplopen tot maximaal 31,6% van de aanschafprijs. Bij aanschaf van een vergelijkbare auto in de 14%-bijtellingcategorie ligt dit voordeel lager, namelijk op 18,6% van de aanschafprijs.&nbsp;</p>
<p>Daarnaast heeft de bestuurder van een (semi-)elektrische auto van de zaak waarvan het kenteken dit jaar voor het eerst op naam is gesteld (0%-bijtelling) een voordeel van 14% bruto ten opzichte van de bestuurder van een zeer zuinige auto van de zaak (14%-bijtelling).</p>
Bron: Pleinplus

Eigen risico toch niet afhankelijk van hoogte inkomen

Mensen met een hoog inkomen zullen in de toekomst niet meer hoeven te betalen aan hun eigen risico in de zorg, dan mensen met een laag inkomen. De coalitie van VVD en PvdA schreef in het regeerakkoord nog dat het eigen risico inkomensafhankelijk zou moeten worden, maar ziet daar nu toch vanaf.

Dat meldden bronnen in politiek Den Haag woensdag. Het besluit wordt op Prinsjesdag officieel bekendgemaakt. De coalitie ziet af van het inkomensafhankelijke eigen risico, omdat de uitvoering lastig is. Zorgverzekeraars zouden namelijk inzage moeten hebben in het loon van de verzekerden om de hoogte van de premie te bepalen.

Het eigen risico blijft dus 350 euro per jaar. Wel zal het worden aangepast aan de inflatie. Lage inkomens worden gecompenseerd via de zorgtoeslag en hogere inkomens gaan meer belasting betalen. Dat laatste gebeurt door het schrappen van de algemene heffingskorting voor deze groep. Volgens het regeerakkoord zouden hogere inkomens een hoger eigen risico (595 euro) krijgen dan laagbetaalden (180 euro).

Bron: Accountancy Nieuws