Belastingdienst moet ‘grensoverschrijdende’ fiscale eenheid toestaan

Na de beslissing van het Europese Hof van Justitie (arrest van 12 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1758) heeft de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam vandaag beslist dat de Belastingdienst het vormen van een zogeheten grensoverschrijdende fiscale eenheid moet toestaan.

Fiscale eenheid Een fiscale eenheid (f.e.) kan worden gevormd door een groep Nederlandse vennootschappen. Ingeval van een f.e. wordt bij de moedervennootschap vennootschapsbelasting geheven alsof er één belastingplichtige is. Daarbij worden de werkzaamheden en het vermogen van alle tot de f.e. behorende vennootschappen toegerekend aan die moedervennootschap. Hierdoor vallen alle onderlinge transacties, inclusief leenverhoudingen en aandelenbezit, weg. 
Het bestaan van een f.e. heeft daarom bepaalde fiscale voordelen. Zo kunnen de in een jaar door de f.e.-vennootschappen gemaakte fiscale winsten en verliezen onderling worden verrekend. Een ander gevolg is dat bij de overdracht van activa en bij diensten tussen f.e.-vennootschappen onderling geen fiscale resultaten worden gerealiseerd.   Voorwaarden Om een fiscale eenheid te kunnen vormen, moeten alle vennootschappen in Nederland zijn gevestigd. Verder moeten zij een ‘ononderbroken verticale keten’ vormen. Dat wil zeggen dat de aandelen van een in de f.e. te voegen vennootschap steeds moeten worden gehouden door een vennootschap die zelf ook is gevoegd. Daarom is het niet mogelijk om – uitsluitend – zustervennootschappen in een f.e. te voegen. Verder kan ook niet een f.e. tussen een moeder- en een kleindochtervennootschap worden gevormd indien niet tevens de tussenliggende (dochter)vennootschap daarin is opgenomen.   Grensoverschrijding
In drie zaken heeft het Amsterdamse hof vragen gesteld aan het Hof van Justitie te Luxemburg over verzoeken om een f.e. te mogen vormen tussen in Nederland gevestigde vennootschappen die, vanwege een grensoverschrijdende concernstructuur, niet voldoen aan de bovengenoemde voorwaarden.  In één zaak (11/00180) gaat het om Nederlandse zustervennootschappen van een gemeenschappelijke buitenlandse (Duitse) moedervennootschap. In de beide andere zaken (11/00587 en 11/00824) gaat het om een Nederlandse moedervennootschap met Nederlandse kleindochtervennootschappen die worden gehouden door één of meer buitenlandse (Duitse) tussenhoudstervennootschap(pen). 
De inspecteur heeft in alle drie gevallen het vormen van een f.e. geweigerd.
De belastingkamer van het Amsterdamse hof heeft in drie tussenuitspraken (ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8713ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8717 enECLI:NL:GHAMS:2013:BY8711) aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of deze weigering in strijd is met Europees recht.   Beslissing van het Hof van Justitie In zijn arrest van 12 juni 2014 heeft het Hof van Justitie beslist dat de artikelen 49 en 54 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie vereisen dat het vormen van een f.e. in alle drie zaken wordt toegestaan. Het Hof heeft daarbij onder meer overwogen dat de drie grensoverschrijdende situaties moeten worden vergeleken met de binnenlandse situatie dat de moedervennootschap in Nederland is gevestigd (in zaak 11/00180) en met de binnenlandse situatie dat de tussenhoudstervennootschap(pen) in Nederland is (zijn) gevestigd (in zaken 11/00587 en 11/00824). Omdat in deze binnenlandse situaties een f.e. wel tot de mogelijkheden behoort, en in de drie grensoverschrijdende situaties niet, is de Nederlandse wettelijke regeling volgens het Hof van Justitie in zoverre in strijd met Europees recht.   Uitspraak hof Amsterdam In navolging van het Hof van Justitie heeft het Amsterdamse gerechtshof vandaag geoordeeld dat in de drie zaken, ingeval van weigering van een f.e., sprake is van een verboden belemmering bij de keuze van structurering van de Nederlandse activiteiten. Volgens het hof moet de inspecteur daarom het vormen van de verzochte grensoverschrijdende f.e.’s toestaan. 
Het hof heeft daarbij overwogen dat dan, in de beide laatstgenoemde gevallen (zaken 11/00587bis en 11/00824bis), de samenhang van het Nederlandse fiscale systeem zou kunnen worden geschonden. Bijvoorbeeld omdat sprake zou kunnen zijn van dubbele verliesverrekening in Nederland. Het hof vindt dat dit echter geen rechtvaardiging kan vormen om de f.e.’s zonder meer te weigeren. De Nederlandse f.e.-regeling gaat hier namelijk verder dan noodzakelijk is om die dubbele verliesverrekening te voorkomen. In het andere geval (zaak 11/000180bis) kan een dergelijke schending van het Nederlandse fiscale systeem zich helemaal niet voordoen.
Het Hof heeft om die redenen verklaard dat in de drie zaken bepaalde (onderdelen van) artikelen van de Nederlandse wettelijke regeling buiten toepassing moeten blijven. Het heeft in de zaken 11/00180bis en 11/00824bis de verzoeken om een f.e. te mogen vormen, alsnog toegewezen. In de zaak 11/00587bis had de rechtbank dit verzoek al toegewezen en bevestigt het hof die beslissing van de rechtbank.    Uitspraken: ECLI:NL:GHAMS:2014:5184,ECLI:NL:GHAMS:2014:5185,ECLI:NL:GHAMS:2014:5186

Bron: Rechtspraak.nl

Overheidsondernemingen worden belastingplichtig

Overheidsondernemingen die concurreren met private ondernemingen komen onder de vennootschapsbelasting (Vpb) te vallen. Dat staat in het wetsvoorstel modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen, dat staatssecretaris Wiebes van Financiën medio september naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd een gelijk speelveld te creëren tussen private ondernemingen en overheidsondernemingen en wordt tegemoet gekomen aan een verzoek hiertoe van de Europese Commissie.

Het doel van de modernisering is concurrentieverstoringen tussen private ondernemingen en ondernemingen die – direct of indirect – worden gedreven door bijvoorbeeld de Staat of een gemeente, zoveel mogelijk weg te nemen. Het streven is om het voorstel met ingang van 1 januari 2016 in werking te laten treden. Overheidsondernemingen en de Belastingdienst kunnen zich in 2015 hierop voorbereiden.

Het wetsvoorstel regelt dat overheidsondernemingen vennootschapsbelasting moeten afdragen, tenzij ze gebruik kunnen maken van een vrijstelling. De Vpb-plicht gaat gelden als overheden met een activiteit een onderneming drijven. Dat is een verandering ten opzichte van de huidige situatie, waarin het uitgangspunt is dat overheidsondernemingen in principe niet vennootschapsbelastingplichtig zijn. Nu zijn overheidsondernemingen alleen in specifieke gevallen belastingplichtig.

Zeehavens

In het wetsvoorstel is een tijdelijke vrijstelling opgenomen voor zes zeehavens in Nederland. Deze overheidsondernemingen concurreren hoofdzakelijk met andere zeehavens in Europa. Europa kent echter nog geen gelijk speelveld voor zeehavens. De Europese Commissie doet momenteel onderzoek naar de fiscale behandeling van zeehavens in diverse lidstaten. In afwachting van het vervolg op dat onderzoek, geldt voor de zeehavens in Nederland een tijdelijke vrijstelling. Zodra op Europees niveau een gelijk speelveld ontstaat, vervalt deze vrijstelling.

Bron: Ministerie van Financiën

Voor 1 maart 2014 aanvragen bijzonder uitstel voor aangiften over 2012

Wie gebruik maakt van de ‘Uitstelregeling belastingconsulenten’ en door overmacht niet op tijd aangifte kan doen voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over 2012, kan in bepaalde situaties bijzonder uitstel krijgen. Dit uitstel moet aangevraagd worden voor 1 maart 2014, zo laat de Belastingdienst weten.

Belastingdienst: ‘Bent u afhankelijk van informatie uit het buitenland en hebt u deze informatie niet ontvangen? Kunt u hierdoor niet op tijd voor uw klanten aangifte doen over 2012 en is er sprake van overmacht? Dan kunnen wij bijzonder uitstel verlenen.’ Het moet dan gaan om 1 van de volgende situaties:

  • Uw klant is een expat.
  • Uw klant is een dochtermaatschappij van een buitenlandse moedermaatschappij.
  • Uw klant is gevestigd in Nederland en heeft een buitenlandse dochtermaatschappij.

 

Uitstel voor maximaal 10% van bestand

U kunt bijzonder uitstel krijgen voor maximaal 10% van de burgerservicenummers (BSN) en RSIN/fiscale nummers waarvoor de fiscus voor het belastingjaar 2012 uitstel heeft verleend volgens de ‘Uitstelregeling belastingconsulenten’.

Maximaal 2 maanden extra uitstel

Voor aangiften over 2012 verleent de Belastingdienst bijzonder uitstel tot uiterlijk 2 maanden na afloop van het eerder verleende uitstel.

Bijzonder uitstel aanvragen?

Wilt u bijzonder uitstel aanvragen? Gebruik dan het formulier ‘Aanvraag Bijzonder of incidenteel uitstel Aangiften uitstelregeling belastingconsulenten’. Stuur het formulier naar:
Belastingdienst/kantoor Almelo, team CVU
Postbus 5106
7600 GM Almelo

Bron: Accountancy Nieuws

Jaarstukken deponeren verplicht

Bv’s zijn verplicht elk jaar hun jaarrekening te deponeren bij de Kamer van Koophandel. De jaarrekening moet uiterlijk 13 maanden na afloop van het boekjaar gedeponeerd worden, dus voor 31 januari 2014. Behalve voor bv’s geldt dit ook voor sommige andere rechtspersonen.

Als niet aan deze verplichting wordt voldaan, kan de Belastingdienst/Unit Ordening een boete opleggen. Bovendien kan bij een faillissement van de bv de bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. Meer informatie over deponeren

Deponeren via SBR

Let op: de komende jaren gaat er het nodige veranderen in de manier waarop jaarrekeningen kunnen worden gedeponeerd. Vanaf boekjaar 2016 is SBR de norm voor het deponeren van de jaarrekening en is deponeren op papier niet langer mogelijk. In aanloop daar naartoe kan de KvK vanaf 1 januari 2014 geen jaarrekeningen bedrijfsklasse klein meer accepteren die via e-mail worden verstuurd. Het alternatief is SBR. Meer informatie: www.kvk.nl/sbr

Bron: Kamer van Koophandel

NOB verbijsterd over wetsvoorstel wijziging percentages belasting

De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is verbijsterd over het voornemen van de regering de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te stellen op de wettelijke rente voor handelstransacties met een minimum van 8%.

Memorie van Toelichting

In de Memorie van Toelichting zijn voor dit voorstel uitsluitend budgettaire redenen aangevoerd. Naar de mening van de Orde is met betrekking tot dit voorstel sprake van een verkapte belastingheffing. In wezen wordt van belastingplichtigen die aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen een extra bijdrage aan de schatkist gevraagd. Volgens de orde is het wenselijk dat de regering deze maatregel in de vorm van belastingheffing aan de betreffende ondernemers oplegt.

Belastingplichtigen

De maatregel treft uitsluitend de aan de heffing van vpb onderworpen belastingplichtigen. Dit onderscheid is in de MvT toegelicht met verwijzing naar de gedachte achter de wettelijke rente, namelijk dat in het handelsverkeer een hoger rentepercentage geldt dan in het niet-handelsverkeer.

Geen handelstransactie

De Orde acht deze redengeving volstrekt onvoldoende. Er is met betrekking tot belastingheffing geen sprake van een handelstransactie, maar van het nakomen van een verplichting die rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Vanuit het oogpunt van gelijkheid acht de Orde het volstrekt onwenselijk dat uitsluitend vennootschapsbelastingplichtigen aan dit regime worden onderworpen.

Bron: Elsevier Fiscaal

Fiscaal pakket 2014: vennootschapsbelasting

Op Prinsjesdag is het Fiscaal pakket 2014 bij de Tweede Kamer ingediend. Het Fiscaal pakket bestaat uit vijf wetsvoorstellen: het Belastingplan 2014, de Overige fiscale maatregelen 2014, het wetsvoorstel aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit, het wetsvoorstel wijziging percentage belasting- en invorderingsrente en het wetsvoorstel maatregelen woningmarkt 2014. Hieronder behandelen wij de vennootschapsbelasting. Tenzij anders aangegeven is de inwerkingtredingsdatum 1 januari 2014.

 

  • Het begrip vrijgestelde beleggingsinstelling van art. 6a Wet Vpb 1969 wordt aangepast in verband met de wijziging in de Wft van het begrip beleggingsinstelling. Dit om de mogelijkheden voor een dga de fiscale beleggingsinstelling (fbi) te gebruiken, te handhaven.
  • Bij een naar Nederlandse begrippen reële heffing naar de winst op het niveau van het APV is niet langer sprake van toerekening aan de inbrenger. In de praktijk is gebleken dat van deze toerekeningsstop gebruik wordt gemaakt om de verbondenheid bij winstdrainage te doorkruisen. Renteaftrekbeperking zal nu ook toepassing gaan vinden met betrekking tot structuren waarbij een APV op een dergelijke manier wordt betrokken. Deze wijziging werkt door naar de andere wetsartikelen in de Wet Vpb 1969 waarbij verbondenheid een rol speelt.
  • Voor toepassing van het  0%-tarief bij een fiscale beleggingsinstelling (fbi) geldt de voorwaarde dat doel en feitelijke werkzaamheid bestaan in het beleggen van vermogen. Toegestaan wordt nu dat de fbi bijkomstige werkzaamheden, voor zover deze rechtstreeks verband houden met beleggen in vastgoed door de fbi, onder voorwaarden mag onderbrengen in een belaste dochtervennootschap.
  • De horizonbepaling op de multiplier voor giften aan culturele instellingen wordt met een jaar verlengd.

Verhuurderheffing

Het kabinet vraagt ook in 2014 een financiële bijdrage van verhuurders van sociale huurwoningen voor het verminderen van de nationale schuld, in de vorm van de verhuurderheffing. Investeringen in Rotterdam-Zuid, krimpgebieden en de transformatie van kantoren in woningen worden gestimuleerd door vrijstellingen binnen de heffing.

Zie ook de volgende bijdragen:

Bron: Pleinplus

LagereboetebijgeringeoverschrijdingaangiftetermijnVpB

<p>Rechtbank Zeeland-West-Brabant ziet ruimte voor matiging van een boete bij geringe overschrijding van de termijn voor het doen van aangifte VpB. Juist omdat de aangifte slechts 15 dagen te laat was, kon de inspecteur toen hij de aanslag oplegde wel gewoon beschikken over de gegevens uit de aangifte. Dit, in combinatie met het feit dat het te betalen bedrag al enkele jaren nihil bedraagt, is voor de rechtbank reden de boete te verminderen van &euro; 2460 tot &euro; 1000.</p>
<p>Een bv wordt aangemaand om op straffe van een verzuimboete uiterlijk 16 januari 2012 aangifte vennootschapsbelasting te doen over het jaar 2010. Op 23 januari 2012 laat de bv weten dat de winst nihil bedraagt en dat zij nog dezelfde maand aangifte zal doen. De aangifte wordt door de bv ingediend op 31 januari 2012. De inspecteur legt ruim een maand later de definitieve aanslag vennootschapsbelasting op naar een te betalen bedrag van nihil. In geschil is of de inspecteur terecht een verzuimboete van &euro; 2460 heeft opgelegd voor de te late indiening van de aangifte.</p>
<p>Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is er ruimte voor matiging van een boete bij geringe overschrijding van de termijn voor het doen van aangifte. Juist omdat de aangifte slechts 15 dagen te laat was, kon de inspecteur toen hij de aanslag oplegde wel gewoon beschikken over de gegevens uit de aangifte. Dit, in combinatie met het feit dat het te betalen bedrag al enkele jaren nihil bedraagt, is voor de rechtbank reden de boete te verminderen van &euro; 2460 tot &euro; 1000. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de verhoging van de verzuimboete wegens aangifteverzuimen onder meer wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het terugdringen van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen naar geschatte bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit door de wetgever van belang bevonden argument in het onderhavige geval niet op, nu de aangifte voorhanden was.</p>
<ul>
<li><a href="http://www.accountancynieuws.nl/actueel/fiscaliteit/Uploads/Files/Rechtbank-Zeeland-West-Brabant–AWB12-4606-17-juli-2013–publicatie-5-september-.pdf" target="_blank"><strong>Rechtbank Zeeland-West-Brabant,</strong><strong>&nbsp;AWB12 4606</strong><strong>&nbsp;17 juli 2013 (publicatie 5 september)</strong></a></li>
</ul>

Bron: Accountancy Nieuws

Lagere boete bij geringe overschrijding aangiftetermijn VpB

Rechtbank Zeeland-West-Brabant ziet ruimte voor matiging van een boete bij geringe overschrijding van de termijn voor het doen van aangifte VpB. Juist omdat de aangifte slechts 15 dagen te laat was, kon de inspecteur toen hij de aanslag oplegde wel gewoon beschikken over de gegevens uit de aangifte. Dit, in combinatie met het feit dat het te betalen bedrag al enkele jaren nihil bedraagt, is voor de rechtbank reden de boete te verminderen van € 2460 tot € 1000.

Een bv wordt aangemaand om op straffe van een verzuimboete uiterlijk 16 januari 2012 aangifte vennootschapsbelasting te doen over het jaar 2010. Op 23 januari 2012 laat de bv weten dat de winst nihil bedraagt en dat zij nog dezelfde maand aangifte zal doen. De aangifte wordt door de bv ingediend op 31 januari 2012. De inspecteur legt ruim een maand later de definitieve aanslag vennootschapsbelasting op naar een te betalen bedrag van nihil. In geschil is of de inspecteur terecht een verzuimboete van € 2460 heeft opgelegd voor de te late indiening van de aangifte.

Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is er ruimte voor matiging van een boete bij geringe overschrijding van de termijn voor het doen van aangifte. Juist omdat de aangifte slechts 15 dagen te laat was, kon de inspecteur toen hij de aanslag oplegde wel gewoon beschikken over de gegevens uit de aangifte. Dit, in combinatie met het feit dat het te betalen bedrag al enkele jaren nihil bedraagt, is voor de rechtbank reden de boete te verminderen van € 2460 tot € 1000. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat met de verhoging van de verzuimboete wegens aangifteverzuimen onder meer wordt beoogd een bijdrage te leveren aan het terugdringen van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen naar geschatte bedragen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit door de wetgever van belang bevonden argument in het onderhavige geval niet op, nu de aangifte voorhanden was.

Bron: Accountancy Nieuws

Bv maakt zakelijkheid kosten niet aannemelijk: terechte correctie inspecteur

Onlangs oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat een bv de zakelijkheid van de in aftrek gebrachte reis-, verblijf- en representatiekosten niet aannemelijk heeft gemaakt. De inspecteur heeft deze kosten dan ook terecht gecorrigeerd.

De bv exploiteert onroerende zaken en belegt in effecten en leningen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een VpB-navorderingsaanslag 2005 aan de bv op. De inspecteur corrigeert hierbij de in aftrek gebrachte reis-, verblijf- en representatiekosten.

De rechter oordeelt dat de bv de zakelijkheid van de in aftrek gebrachte reis-, verblijf- en representatiekosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de rechtbank is het namelijk niet voldoende dat de bv restaurantnota’s overlegt zonder te verklaren met welke zakelijke relaties, en met welk doel, de horecagelegenheden zijn bezocht. Ook zijn volgens de rechtbank de overgelegde facturen van een reisbureau, met de vermelding ‘voor u verzorgde arrangementen’, onvoldoende om de zakelijkheid aan te tonen. Hieraan doet volgens de rechtbank niet af dat de uitgaven passen in de stijl van de vennootschap en in verhouding tot het behaalde resultaat te verantwoorden zijn. Het gelijk is aan de inspecteur.

Bron: Pleinplus